ΒΙΟΙ ΠΑΡΑΛΛΗΛΟΙ : MAY - VAN DEN HOUT

Roger Schenk 1


Karl Friedrich May werd op 25 februari 1842 in Ernstthal geboren als zoon van een straatarme wever; hij werd opgeleid als onderwijzer, maar doordat hij een affaire begon met zijn hospita en er een aanklacht tegen hem werd ingediend omdat hij een horloge achterover zou hebben gedrukt, was zijn onderwijzerscarrière voorbij nog voor die goed en wel begonnen was.

Wilhelmus (Willem) Henricus Maria van den Hout werd op 3 juni 1915 in ’s-Hertogenbosch geboren als zoon van een onderwijzer. Zelf volgde hij ook de opleiding tot onderwijzer, maar hij heeft nooit als zodanig gewerkt; zijn eerste baan was bij Philips in Eindhoven, op de „propaganda”-afdeling; tegenwoordig zouden we zeggen: PR-medewerker.



Hij is twee maal getrouwd geweest: met Emma Pollmer en met Klara Beibler, verw. Plöhn; beide huwelijken bleven kinderloos. Er zijn geruchten over een buitenechtelijk kind.

Hij is drie maal getrouwd geweest, achtereenvolgens met Wiesje Grossouw, Annelies Jülckenbeck en Marjon Niemeyer; het eerste huwelijk leverde twee zonen op (Willem-Peter en (Charles-)Paul), het derde eveneens (Michiel en Constantijn). Er zijn geruchten over een buitenechtelijk kind.


Wegens diverse kleine eigendomsdelicten en bedriegerijen vergrijpen verbleef Karl May van 08/09/1962 t/m 20/10/1862 (Chemnitz), 14/06/1865 t/m 02/11/1968 (Zwickau), 03/05/1970 t/m 02/05/1974 (Waldheim) en 01/09/1879 t/m 22/09/1878 (Hohenstein) in de gevangenis.

Vanaf 1945 zat Willem in voorarrest, omdat hij in de Tweede Wereldoorlog propaganda voor de Duitsers bedreven had: dat varieerde van het (anoniem) schrijven in het blad „De Gil” tot het schrijven van uiterst geraffineerde propaganda voor de „Kampfsender S-2” tijdens de Slag bij Arnhem; ook heeft hij zijn scherpe pen geleend aan het blad „De Drie-Stuivers-Roman” over de detective Philip Raack, hetgeen o.m. resulteerde in de vuigste stukken propaganda die ooit op Nederlands grondgebied zijn bedreven: in de aflevering „De Amateur-Moordenaars” van „De Drie-Stuivers-Roman” laat de anonieme schrijver een aantal mensen opdraven, die allemaal onderdak hebben geboden aan een bepaalde jood, die zich vervolgens als een regelrechte parasiet en afperser ontpopt (citaat: En het is altijd hetzelfde liedje. Ik ken zeker twaalf families, die ook uit medelijden Joden onder dak namen en van die twaalf waren er zeven - let wel: zeven - na een maand zóóver, dat ze de Duitsche politie met tranen van dankbaarheid zouden hebben verwelkomd als die hen weer van hun koekoekslogé’s waren komen verlossen.... En dat waren géén pro-Duitsche families. Dat waren gewone, alledaagsche Neder-landers....), terwijl in het artikel „O, die Héérlijke Joden!...” in „De Gil” (maart 1944) duidelijk wordt gemaakt, hoe de gemiddelde Nederlander over het verdwijnen van zijn joodse landgenoten dacht (citaat: Hoe fijn, hoe fijn zal het zijn als de Duitschers eenmaal zijn verdwenen en de joden komen terug .... Wel een genot om de komkommerneuzen weer over onze trottoirs te zien loopen. Wij moeten er niet aan denken! Wij worden gewoon duizelig van genot. Men zou bijna geïnspireerd worden tot een Ode aan de Joden.).
Men heeft Willem echter nooit iets kunnen bewijzen (al staat inmiddels zo goed als zeker vast dat zowel „De Amateur-Moordenaars” als „O, die Héérlijke Joden” uit de koker van Willem stamt), en zo kwam hij in 1948 weer op vrije voeten, zonder ooit te zijn veroordeeld.


Na talloze verhuizingen van en naar diverse huurhuizen slaagde Karl May er in 1896 in om uit de opbrengsten van zijn Gesammelte Reise-Erzählungen (vanaf 1892) een huis te kopen: „Villa Shatterhand” in de huidige Karl-May-Straβe te Radebeul.

Na talloze verhuizingen van en naar diverse huurhuizen slaagde Willem van den Hout er in 1966 in om uit de verkoop van de rechten op de Bob Evers-serie aan uitgever De Eekhoorn een huis te kopen: Hugo de Grootstraat 26 te ’s-Gravenhage.


Zijn bekendste scheppingen zijn Winnetou, Old Shatterhand, Kara Ben Nemsi en Hadschi Halef Omar.
Tientallen jaren lang heeft Karl May getracht de mythe in stand te houden, dat hijzelf Old Shatterhand resp. Kara Ben Nemsi was, en dat hij waargebeurde reisverhalen had geschreven.

Zijn bekendste scheppingen zijn Jan Prins, Bob Evers en Arie Roos.
Ook Willem heeft getracht aan zijn Bob Evers-boeken de schijn van „waar gebeurd” mee te geven, door op gezette tijden uitdrukkingen als „Toen de jongens mij dit verhaal later vertelden, tekende Jan er een kaartje bij”, enz., te gebruiken.


Karl May is de meest gelezen schrijver in het Duitse taalgebied; bovendien is zijn werk vertaald in talloze levende talen en één dode.

De Bob Evers-serie behoort tot de meest gelezen jongensboekenseries in het Nederlandse taalgebied; behalve een vertaling van de Zuidzee-trilogie in het Afrikaans en een bewerking van de briefjesjacht-trilogie in het Duits is de serie echter nooit vertaald.


Behalve anoniem schreef Karl onder meer onder de pseudoniemen „Ramón Diaz de la Escosura”, „M. Gisela”, „Karl Hohenthal”, „D. Jam”, „Frans Langer”, „Prinz Muhamêl Latréaumont”, „Ernst von Linden” en „P. van der Löwen”. Hij gebruikte uiteraard ook zijn eigen naam (al dan niet met de onterechte titel „Dr.”), maar ook een vrouwelijk pseudoniem: „Emma Pollmer”, de naam van zijn eerste vrouw.

Behalve anoniem schreef Willem onder meer onder de pseudoniemen „Willy van der Heide”, „C.B. McInverness, M.D., Ph.D.”, „Victor Valstar”, „Willem W. Waterman” en „Willy Waterman”. Hij schreef slechts enkele boeken onder zijn eigen naam, maar net als Karl May maakte hij gebruik van vrouwelijke pseudoniemen „Zsa Zsa Ferguson”, „Joke Raviera” en „Sylvia Sillevis”.


Karl May gold en geldt voornamelijk als kinderboekenschrijver, terwijl hij eigenlijk maar 7 van zijn romans direct voor kinderen bedoeld heeft; met name de vijf colportageromans zijn niet echt geschikt voor een jeugdig lezerspubliek; om een heel andere reden is ook het werk dat May na zijn grote Oriëntreis heeft geschreven („Meine eigentliche Werke”) niet geschikt voor kinderen.

De grootste successen boekte Willem van den Hout als kinderboekenschrijver (Naast de absolute topper Bob Evers liepen ook zijn Otto Onge- en Wanda Moens-serie redelijk), maar lang niet alles wat hij geschreven heeft, is geschikt voor kinderogen: in de jaren ’60 en ’70 schreef Willem om den brode voor bladen als Candy en vertaalde hij buitenlandse romannetjes van bedenkelijk niveau.


Opvallend in Mays werk is het ontkennen van het begrip „toeval”: voor May is alles „goddelijk voorbeschikt”.

Opvallend in Van den Houts werk is het ontkennen van het begrip „toeval”: voor Van den Hout is alles „kosmisch bepaald”.


Karl May overleed op 30 maart 1912 te Radebeul.

Willem kwam te overlijden op 25 februari 1985 te ’s-Gravenhage.


Zijn weduwe May-Beibler heeft zich op een manier met Mays nalatenschap bemoeid, die elk ontwikkeld mens met afschuw vervult: niet alleen heeft zij hele bladzijden uit Mays dagboek van zijn Oriëntreis gescheurd en diverse nagelaten manuscripten verdonkeremaand, maar in de jaren ’30 heeft zij er bij de Karl-May-Verlag voor gepleit om in het helaas nooit in het Nederlands vertaalde boek Und Friede auf Erden het Christelijk kruis, dat bij een bepaalde lichtinval in „Raffley Castle” verschijnt, te vervangen door het hakenkruis; gelukkig was de toenmalige uitgever, dr. Euchar Albrecht Schmid, wel wijzer. Klara’s grootste schoftenstreek heeft echter ook deze man helaas niet kunnen verhinderen: in 1900 was het echtpaar May-Pollmer samen met het bevriende echtpaar Plöhn-Beibler op vakantie in de Oriënt; in Athene bleken de vier zo onder de indruk van de Nikè-tempel, dat zij besloten om deze tempel op het kerkhof in Radebeul te laten nabouwen als graf voor de vier vrienden. In 1901 overleed Richard Plöhn reeds; hij werd als eerste bijgezet in de „Nikè-tempel” op het Radebeuler kerkhof. Weduwe Klara Plöhn-Beibler ging vervolgens als een ware koekoek inwonen bij het bevriende echtpaar May-Pollmer om een jaar of wat later Emma May-Pollmer het huis uit te jagen. In 1903 trouwden Klara en Karl, maar in 1912 kwam Karl te overlijden en zijn lichaam kwam ook terecht in de „Nikè-tempel”. Maar in 1942 zouden er feestelijkheden plaatsvinden omtrent Mays honderdste verjaardag; uit angst dat een en ander niet door zou gaan, liet Klara May de stoffelijke resten van haar eerste man, Richard Plöhn, verwijderen, omdat deze volgens de nazi-definitie een ‘halfjood’ was!
Klara overleed op oudejaarsavond 1944, enige maanden voor het door haar zo bewonderde ex-Oostenrijkse korporaaltje - dat in maart 1912 overigens op een paar geleende schoenen aanwezig was bij Karl Mays laatste lezing - ten val kwam.

Ook Willems erfgenamen gingen niet bepaald op de meest oirbare wijze met diens nalatenschap om: uit Willems huis aan de Hugo de Grootstraat werden containers vol manuscripten en boeken gegooid.


De rechten van Karl Mays boeken berusten niet bij eventuele nog in leven zijnde nabestaanden, maar tot 1962 bij de Karl-May-Verlag (aanvankelijk Radebeul, later Bamberg, nu Bamberg en Radebeul). Puristen verwijten deze uitgeverij, dat zij Mays teksten bewerkt hebben, maar sinds 1962 zijn de rechten vrij, en zo kon er een gigantische stroom reprints en facsimiles op gang komen, zodat er voor elk wat wils op de markt is.

De rechten van de Bob Evers-serie berusten niet meer bij nog in leven zijnde nabestaanden, maar deze rechten heeft Willem zelf in 1966 verkocht aan Uitgeversmaatschappij De Eekhoorn (Apeldoorn, later Amersfoort, Harderwijk, weer Apeldoorn, Zeewolde, nu Oud-Beijerland); tot 2035 berusten de rechten van Willems andere werk in elk geval bij zijn nabestaanden. Tussen 1949 en 1962 verschenen de eerste 32 Bob Evers-boeken als hardcover (met stofomslag), tussen 1965 en 1999 als pocket (inclusief de latere boeken t/m deel 46); de laatste vier delen (van Peter de Zwaan) verschenen als hardcover; inmiddels zijn de boeken niet meer nieuw te krijgen in de winkel. Vooral de hardcovers zijn gewild bij de fans, omdat de pockets bewerkt zijn; aan de bewerking van de eerste 11 of 12 delen heeft de schrijver zelf overigens nog meegewerkt, vóór zijn definiteve breuk met De Eekhoorn.


Na Karl Mays overlijden heeft Franz Kandolf nog één deel toegevoegd aan de Gesammelte Werke; inmiddels zijn er tientallen schrijvers die met meer of minder succes getracht hebben, Karl Mays werk voort te zetten of na te volgen.

De Bob Evers-serie is na Willems overlijden voortgezet door Peter de Zwaan; inmiddels zijn er zo’n tien schrijvers die met meer of minder succes getracht hebben, een of meer Bob Evers-boekjes te schrijven; dit zijn evenwel alle illegale uitgaven.


In 1969 werd de Karl-May-Gesellschaft opgericht, een stichting die zich ten doel heeft gesteld om het werk van Karl May op een wetenschappelijke manier te onderzoeken en te conserveren. Het gezelschap heeft inmiddels meer dan 2000 leden (onder wie schrijver dezes) en staat daarmee in de top 5 van grootste literaire genootschappen in Duitsland.

In 1972 werd het Bob-Evers-Genootschap opgericht, een stichting die zich ten doel heeft gesteld om leven en werk van Willem van den Hout te gedenken; het genootschap telt 4 (officieel 5) bestuursleden en 4 buitengewoon honoraire leden (onder wie schrijver dezes).


Aan Karl May en zijn werk zijn inmiddels niet minder dan drie musea gewijd: het Karl-May-Haus in zijn geboorteplaats Hohenstein-Ernstthal (Karl-May-Straβe 54), het Karl-May-Museum in Radebeul (in „Villa Shatterhand”, Karl-May-Straβe 5) en het Karl-May-Museum in Bamberg (Hainstraβe 11, inmiddels gesloten).

Een echt Willem van den Hout- of Bob Evers-Museum bestaan tot op de dag van vandaag helaas niet, op het virutele museumje op deze website na.




Nederlandse literatuurrecensenten hebben vrijwel altijd hun neus opgehaald voor de schrijvers van hele kinderboekenseries. Zij hebben liever dat kinderen meteen al geconfronteerd worden met de harde werkelijkheid en prefereren daarom zogenaamde educatieve kinderliteratuur, waarin kansarme, al dan niet allochtone kinderen uit gebroken gezinnen in achterstandswijken de hoofdrol spelen. Dat was vroeger al zo en dat zal altijd wel zo blijven, maar de mate waarin met name de Duitser Karl May de laatste decennia in Nederland verguisd wordt, is niet leuk meer.
Gelukkig hebben kinderen zelf altijd het best geweten wat goed voor hen is: boeken die spannend en humoristisch zijn, zijn toch zeker leuker dan dat o zo verantwoorde Gouden Griffel-spul? Bovendien kun je boeken die deel uitmaken van een serie sparen. Daarom ook behoren series als De Kameleon, Pietje Bell, Dik Trom, Bob Evers en Karl May al decennialang tot de meest verkochte boeken in Nederland! Anders dan tegenwoordig, nu het in Nederland welhaast not done lijkt om iets positiefs over Karl May te zeggen, was de literaire kritiek in Nederland over Karl May in het verleden echter redelijk positief (in de jaren ’50 en zeker in de jaren ’60, toen de grote Karl May-films ook het Nederlandse publiek in hun ban hielden).
Als illustratief voor deze ontwikkeling kan wellicht de Bob Evers-serie van Willy van der Heide (Willem van den Hout) resp. Peter de Zwaan gelden: in deze lang lopende serie wordt diverse malen verwezen naar Karl May en diens werk. Omdat de Bob Evers-serie gedurende zo’n lange tijdsspanne verscheen (van 1949 tot 2003), kunnen deze verwijzingen als graadmeter voor de populariteit van Karl May in Nederland gelden (al moeten we natuurlijk wel rekening houden met het feit dat de Bob Evers-serie door twee volkomen verschillende schrijvers is geschreven): de toon van de verwijzingen is in de ‘oude’ serie (de hardcovers, van 1949 tot 1962) merendeels bewonderend tot goedmoedig spottend, maar in de ‘nieuwe’ serie (van Peter de Zwaan: van 1987 tot 2003) ronduit spottend.

De eerste verwijzing naar de creaties van Karl May komen we tegen in Drie jongens op een onbewoond eiland:

„Maar hoe kon jij die boeven uit die vallei laten ontsnappen?” vroeg Jan.
Bob trok een zuur gezicht.
„Zal ik je een mop vertellen? Ik ben in slaap gevallen.”
Er volgde een diepe stilte. Arie en Jan keken elkaar aan en begonnen dan te lachen. Niet al te luid, maar wel goed.
„We lijken wel de club der zeven slapers,” grinnikte Arie tenslotte.
„De drie schone slapers,” voegde Jan er aan toe.
„Geen Old Shatterhands of Old Firehands, maar Old Slaperhands,” grijnsde Bob zuurzoet. „Ik kan je verzekeren, dat ik me een aap schrok [...]”
(Drie jongens op een onbewoond eiland, HC p. 128 ; pocket p. 140).

(Hierbij dient overigens opgemerkt te worden, dat het niet erg waarschijnlijk is dat een Amerikaanse jongen Old Shatterhand of Old Firehand kent: Engelse vertalingen van het werk van Karl May bestaan wel, maar werden/worden niet echt op grote schaal gelezen; bovendien spreekt Bob in deze oudste delen nog nauwelijks Nederlands, dus het is nog maar de vraag of hij in staat is om woordspelingen à la „Old Slaperhand” te bedenken, maar een leuke vondst van de schrijver blijft de term „Old Slaperhand” in elk geval wel).

In Drie jongens en een caravan denken Jan Prins en Bob Evers met weemoed terug aan de tijd waarin Winnetou en Old Shatterhand opereerden:

Jan dacht met een tikje bitterheid en een grimmige grijns aan de vele boeken van Karl May, die hij in zijn jongere jaren had verslonden. Wat deden die Old Shatterhand en die Winnetou dat toch altijd handig! Old Shatterhand rukte desnoods staalkabels aan flarden, of trok boom en al uit de grond, als hij zich even flink boos maakte. Jan vroeg zich af, of de boze Comanchen in die tijd ook de beschikking hadden gehad over pinkdik eerste kwaliteit Manillahennep. Jan was van oordeel dat hij geen kwartje met een gat zou willen verwedden tegen een scheepslading Henrybuksen voor de levenskansen van Old Surehand en Old Firehand aan de martelpaal, als die met pinkdik Manillahennep stonden vastgesnoerd.
(Drie jongens en een caravan, HC p. 111 ; pocket p. 108).


„Ik zou er een lieve cent voor over hebben,” bepeinsde Jan, zwetend als een otter en nog steeds half dol van jeuk, „als ik die Karl May één halve minuut hier te spreken kon krijgen, om even te informeren hoe hij me los zou krijgen als ik een figuur was uit een van zijn boeken. Die Winnetou en Old Shatterhand brachten de helft van hun leven gebonden aan martelpalen door, en werden er dik en welvarend bij... Ik vind het maar een matige lol [...]”
(Drie jongens en een caravan, HC p. 112 ; pocket p. 108).


Het terrein begon hier een weinig af te hellen en vóór Bob een twintigtal meters de glooiing af was gekropen, raakte hij met zijn rechterhand iets hards, dat in beweging geraakte en de helling af rolde, flauw glanzend in het sterrenlicht. „Een leeg conservenblikje!” schoot het door zijn hoofd, op hetzelfde ogenblik dat het betrokken blik, dat nu al een aardig gangetje had, met een klap een boomstam raakte. Door de stille nacht was de holle slag een heel eind ver te horen. Bob bleef roerloos zitten en zei binnensmonds enkele woorden die nu niet tot de meest nette behoorden. En evenals Jan Prins, in een geheel ander gedeelte van het dennenbos, dacht ook Bob met bitterheid aan de verhalen van Old Shatterhand. In die tijd waren er nog geen conservenblikjes, en nòch Old Shatterhand, nòch zijn strijdmakker Winnetou hadden ooit bang hoeven te zijn, in de steppen, op de prairiën of ergens in een Amerikaans woud op een conservenblik te zullen stuiten; hoogstens op een ratelslang of een vergeten goudmijn.
(Drie jongens en een caravan, HC p. 116 ; pocket p. 114).


Hij [=Jan Prins] spande zijn koorden, zaagde, plukte en pluisde aan de hennepstrengetjes, en smaakte na twaalf minuten de intense voldoening, het laatste strengetje met één spanning van zijn spieren te doen knappen! Los!... Hoezeer Jan in de afgelopen halve uren ook op Old Shatterhand gefoeterd had... hij voelde zich nu even triomfantelijk en zegevierend als ware hij drie Karl May helden in één huid geweest.
(Drie jongens en een caravan, HC p. 118 ; pocket pp. 115-6).

(Opnieuw is het opvallend dat de Amerikaan Bob Evers Old Shatterhand kent. Eveneens opvallend is, dat Old Shatterhand en Winnetou in Karl May’s Gesammelte Werke, Band 15, Old Surehand II, p. 208 (d.i. Karl-May-Pocket nr. 6, Het geheim van Old Surehand, p. 131) wel degelijk op een aantal achtergelaten conservenblikken stuiten!)

Zonder namen te noemen, is Arie Roos’ verzuchting goedmoedig spottend en duidelijk als parodie op Karl May bedoeld, zo’n beetje in de stijl van Fritz von Ostini’s Die blaue Schlange („Ich hatte meine fünf Gewehre umgehängt, den Bärentöter, mein Henrygewehr, einen Mauserkarabiner, eine Elefantenbüchse und einen Drilling [...]”):

„Wat deksel!” bromde hij [=Arie Roos]. „Als ik een van die befaamde woudlopers was, zou ik na dertig seconden kijken precies kunnen zeggen, hoeveel mensen hier geweest waren, welke kiezen van de voorste waren geplombeerd, hoe zijn moeder heette, wat hij op zijn eindexamen voor wiskundecijfer had, benevens het feit, dat hij niet hield van rolmopsen. Het enige dat ik kan zien is, dat ze hier geen bomen hebben gekapt, geen gaten gegraven en geen mustangs geslacht. Enfin, Arie.... volgen maar.”
(Een klopjacht op een kapitein, HC p. 150 ; pocket pp. 152-3).


We moeten goed beseffen, dat bovenstaande opmerking afkomstig is van een van de drie jongens die in de Stille Zuidzee geleerd hebben om temidden van bloeddorstige muiters in leven te blijven, om met alle bestaande merken geweren en pistolen te schieten en om alle mogelijke sporen te lezen! Maar dat er nog altijd zoiets als baas boven baas bestaat, moet ook Jan Prins tot tweemaal toe erkennen:

„Maar er moet hier toch váker met een auto zijn gereden,” bracht Arie in het midden. „In elk geval met dèze auto, door die schilder. Dat zal toch wel een soort van spoor hebben nagelaten?”
„Wat?” riep Jan. „In heide? Dat taaie spul gaat binnen een uur weer overeind staan en je zou een soort van Winnetou moeten zijn om dat spoor terug te vinden.”
(Een vliegtuigsmokkel met verrassingen, HC p. 32 ; pocket p. 28).


„Ja dikke - maar daar vinden ze niks. Alleen verlaten hei. Een vliegtuig laat geen spoor na. En je moet een knappe Winnetou zijn, om aan de sporen in de hei precies te kunnen zien, wat er gebeurd is.”
(Een vliegtuigsmokkel met verrassingen, HC p. 55 ; pocket p. 51).


En iemand die goed kan schieten, doet natuurlijk al meteen aan zo’ feilloze creatie van Karl May denken:

Jan kreeg zowat kramp in zijn nek van het achterstevoren het ondersteboven gehouden schilderstuk te bekijken.
„Wat stelt dat voor? Ik zie het niet goed. Old Shatterhand met pijl en boog in Schotland?”
(Kunstgrepen met kunstschatten, HC p. 118 ; pocket p. 111).

Maar nee, het blijkt een andere held te zijn, een „schepping” van zo’n andere grootheid uit de Duitse literatuur (Schiller): Wilhelm Tell.

De nieuwe schrijver van de Bob Evers-serie, Peter de Zwaan, heeft duidelijk minder op met Karl May, maar ook hij moet erkennen, dat Winnetou toch wel een legendarisch spoorzoeker was:

‘Kijk eens aan,’ zei hij [=Arie Roos]. ‘Een combinatietang. Iemand heeft hier iets verloren. Niet lang geleden, lijkt me. Want er zit geen vlekje roest op.’
‘Het heeft misschien in geen weken geregend,’ zei Jan korzelig.
‘Hou op met Winnetouspelen. Bob is verdwenen en de ID ook. De vraag is: zit Bob in de ID?’
‘En zit hij er vrijwillig in,’ vulde Arie aan.
(Superslag in een supermarkt, pocket p. 46).


En in Frankfurt an der Oder, (voor iemand die ver kan werpen) op een steenworp afstand van Karl Mays Heimat, kan ook Peter de Zwaan niet om Winnetou’s kwaliteiten als speurder heen:

Ditmaal parkeerde hij [=Bob Evers] op veilige afstand en hij benaderde het gebouw of hij Winnetou was die Old Shatterhand moest bevrijden uit handen van de Oglala’s. Er was niemand bij of in het gebouw en met een schaapachtig gezicht klopte hij het zand van zijn knieën en ellebogen.
(De Stripman van Słubice, pocket p. 72).


En dat Peter de Zwaan uitstekend op de hoogte is tot welke stam voornoemde Winnetou behoorde, laat hij in hetzelfde boek blijken:

Het had even geduurd, maar Arie had het patroon van de banden leren herkennen en bij elke splitsing lag hij als een Apache-verkenner op zijn knieën te zoeken tussen de boterbloemen.
(De Stripman van Słubice, pocket p. 104).


Ook in Raadselrellen rond een rondreis noemt De Zwaan de naam Winnetou, maar uit het noemen van deze naam blijkt iets van sarcasme:

Het bleek mee te vallen. De lange heer Griffith stapte in de taxi en Holden wuifde hem kort na. Daarna draaide de man zich langzaam om zijn as, terwijl hij met een hand voor zijn ogen afdekte.
‘Wat doet-ie nu? Is hij aan het oefenen voor Winnetou?’
‘Hij vertrouwt de zaak niet, dat is duidelijk. Hij voelt nattigheid.’
(Raadselrellen rond een rondreis, pocket p. 97).


En net voor de eeuw- en millenniumwisseling verwoordt De Zwaan de ronduit negatieve ideeën van veel Nederlandse zogenaamde literatuurkenners:

‘Shoshone. Is die naam niet indiaans?’
‘De Shoshones vormen een indianenstam. Heb je vroeger Karl May niet gelezen?’
Jan rilde. ‘Dat Old Shatterhand-gedoe? Met al die blanken die toevallig allemaal uit Duitsland leken te komen? Doe me een lol.’
(Listige loeren in Las Vegas, pocket pp. 39-40).


Al is het zo, dat ook nu nog de naam Winnetou garant staat voor een ongeëvenaard goede spoorzoeker:

Het zoeken naar de mannen met een gele weekendtas verliep volkomen ongecoördineerd en het duurde niet lang of een aantal jongeren begon er een vreselijk potje van te maken. Ze liepen te spoorzoeken of ze Winnetou zelf waren en ze besprongen iedereen die ze niet direct herkenden.
(Listige loeren in Las Vegas, pocket p. 62).


En dat is dan tevens de laatste keer dat er in de Bob Evers-serie verwezen werd naar die andere serie boeken van de schrijver, die tegen wil en dank ook als kinderboekenschrijver geldt. Misschien is dat maar goed ook, want de opmerkingen over Karl May werden steeds negatiever!


[1]Speciaal voor deze website geschreven, niet eerder gepubliceerd artikel



Terug naar de Nederlandstalige bibliografie.

Terug naar de startpagina.