De leugen was te snel

Boudewijn van Houten 1
(Noten van Roger Schenk)


Nog altijd bezorgen Winnetou en Old Shatterhand jonge lezers rode oortjes. Maar wie de biografie van hun schepper Karl May leest, stijgt het schaamrood naar de kaken. Over het leven als bedrog, en het schrijven als schelmenstreek.

Karl May (1842-1912), die zich het liefst - en volledig ongegrond Doktor Karl May noemde, keek niet op een leugentje meer of minder. Lichtte hij mensen geregeld op in de tijd dat hij jong en arm was, ook als oude en rijke man fantaseerde de geestelijk vader van de juist zo oerfatsoenlijke Winnetou er nog altijd lustig op los. Hij kon het liegen niet laten, maar hij zou er niet zo’n succes mee hebben gehad als hij niet zoveel charme had gehad. Zijn leven leest als een schelmenroman.
          Mijn lievelingsfoto van May is er eentje uit april 1900. Op de achtergrond zie je een van de piramiden van Gizeh. Op de voorgrond de Sfinx, maar vooral ook een aantal westerse toeristen met Arabische bedienden en kamelendrijvers. De 58-jarige Karl May torent hoog boven iedereen uit, rechts in zijn witte pak en met zijn tropenhelm, losjes zittend op een kameel. Voor hem knielt een andere kameel, en daarop zit zijn vrouw Emma May, een niet bijster verleidelijke, oudere dame. Heel anders is de vrouw die naast May eveneens hoog op een staande kameel troont: jonger, bepaald knap en met een uitdagende houding. Zij is Klara Plöhn, de vrouw van een man die links nog is te zien en die wat uitgezakter op zijn rijdier heeft plaatsgenomen; hij is dan ook doodziek, verstoort het reisprogramma aanzienlijk en zal nog geen jaar later sterven. Karl May zal nog geen twee jaar wachten alvorens hij zich ontdoet van zijn bejaarde echtgenote en de jonge weduwe naar het altaar voert. Had hij al iets met haar toen deze foto werd genomen? Dat is niet duidelijk, want de fabrikant Richard Plöhn is een van de weinige echte vrienden die hij in zijn leven heeft gehad. Bovendien worden beide echtparen nog door andere zaken verbonden. Ze zijn allemaal dol op spiritisme en laten tezamen geregeld de tafels dansen en de geesten spreken. Een dergelijke hechte vriendengroep hoort ook na de dood bijeen te blijven, vinden ze, en als ze in juli het Ionische tempeltje van Athena Nike op de Acropolis in Athene zien, nemen ze zich voor een dergelijk grafmonument voor hun klavertje-vier-groepje te laten bouwen. Plöhn zal er als eerste in worden bijgezet, maar niet voor lang, zoals we straks zullen zien.

In het najaar bezocht ik het Karl May Museum. Weer eens in Dresden, en uitgekeken op August de Sterke, zocht ik iets anders. In de voorstad Radebeul, een eind stroomafwaarts aan de Elbe, trof ik dit museum aan. Na een lange tramreis arriveerde ik bij de ‘Villa Shatterhand’, ooit het woonhuis van de schrijver, nu een wat vergeten bezienswaardigheid. Daar waan je je terug in de goede oude tijd, toen de mensen nog niet met duizenden naar de musea werden gedreven. Bij een wat knorrige dame in een houten hokje kocht ik een kaartje. Eerst bekeek ik de ‘Villa Bärenfett’, in de tuin: een later door de circusartiest Patty Frank toegevoegde blokhut, volgestouwd met opgezette indianen of iets wat daarop leek. Omdat ik in de vorige decennia een bloedhekel aan indianen had gekregen, omdat we hier zo nodig de bekommernis van de Amerikaanse intelligentsia met dat volk moesten delen en omdat Winnetou voor mij tot een wel erg ver verleden behoorde (het zijn alleen onze heel grote schrijvers die nog dagelijks van hun kinderlectuur vervuld zijn), werd mijn belangstelling pas gewekt in de villa zelf. Ik liep er op m’n eentje rond en ontdekte een andere May dan ik dacht te vinden. De boeken en brochures die ik in het winkeltje kocht, informeerden me verder en maakten de reis uiteindelijk de moeite waard. Wat een verhaal, dat leven van Karl May!

Mijn vader was een arme wever,” schrijft May in het begin van zijn autobiografie Mein Leben und Streben. Voor één keer zegt hij de waarheid. Hij vertelt maar niet dat zijn ene grootvader dronken in een kloof was gestort en de andere zich in de kelder van zijn buurman had opgehangen. Karl bleek bij zijn geboorte blind te zijn en zou dat vijf jaar blijven. Psychologische duiders hebben er de oorzaak van zijn grote fantasie in gezien - nog niet eens zo’n slechte theorie. Van de vader is bekend dat hij driftig kon zijn en graag indruk maakte - hij zou hebben gejaagd op erefuncties. Het beetje geld dat zijn vrouw had geërfd, joeg hij er gauw doorheen. Zijn echtgenote kon nog net een opleiding tot vroedvrouw volgen in een ziekenhuis in het nabijgelegen Dresden. Daar sprak ze over haar blinde zoontje, en men slaagde erin het kind zijn gezichtsvermogen terug te geven.


Karl May

          Karl, die kennelijk enige intellectuele neigingen vertoonde, werd later naar de kweekschool gestuurd. Waarschijnlijk omdat hij indruk wilde maken, stal hij kaarsen. Hij werd vanwege ‘ergerlijke leugenachtigheid, een grove aard en gebrek aan godsdienstig gevoel’ van de school gestuurd. Nadat hij zijn excuses aanbood bij het ministerie, wilde een andere school hem opnemen. Daar gedroeg hij zich beter. Maar veertien dagen nadat hij ergens hulponderwijzer was geworden, diende zijn kamerverhuurder een klacht in omdat May ‘op de schandelijkste manier met leugens en verdraaiingen’ geprobeerd zou hebben diens echtgenote tegen hem op te zetten en ‘voor zijn smerige plannen te winnen’.
          Toch vond hij nog een andere post, van minder niveau, maar ook daar ging het weer mis. Toen hij met Kerstmis weer thuis was en in zijn geboortedorp Hohenstein-Ernstthal in een café vertoefde, kwam de politie hem arresteren. Hij bleek van een collega een paar voorwerpen, waaronder een horloge, te hebben ‘geleend’. Hij ging voor zes weken de gevangenis in. Het betekende het einde van zijn onderwijzerscarrière en het begin van een serieuzere misdadigersloopbaan. Hij was nu negentien jaar. Wegens slechtziendheid werd hij afgekeurd voor militaire dienst. Wat hij in de daaropvolgende jaren allemaal deed, zullen we nooit weten, behalve dan de paar dingen die door rechtszaken aan het licht zijn gekomen. Hij leefde evident van de oplichterij. Zo gaf hij zich uit voor ‘dr Heilig’ om zich maatkleding te laten aanmeten en dan zonder te betalen weer te verdwijnen. Of hij nam eerst een hotelkamer, liet daar kostbare bontartikelen bezorgen en ging daarna op de loop. In een pandjeshuis waar hij gestolen bont wilde verkopen, wachtte de politie hem op. Het werd ditmaal een straf van vier jaar en één maand werkkamp, waarvan hij er drieënhalf zou uitzitten.



Daarna begon een nog avontuurlijker periode, naar het lijkt. In het dorpje Wiederau gaf hij zich bij een koopman voor ‘politieluitenant Von Wolframsdorf’ uit - let op het adellijke voorvoegsel Von - en maakte hij iemand wijs dat deze reeds lang van valsemunterij werd verdacht. Laat je geld eens zien! Het is duidelijk: vals!
Von Wolframsdorf confisqueerde het geld en ordonneerde de arme koopman hem te vergezellen naar de stad. In de stad pootte hij hem in een café en zei dat ze hem zo zouden komen halen vanaf het politiebureau. Dat gebeurde uiteraard niet...
          Het werd helemaal ‘Wild West’ - iedereen zal moeten toegeven dat May de ideale opleiding volgde om later avonturenverhalen te schrijven - toen hij paarden ging stelen en probeerde te verkopen. Hij slaagde er ook in opnieuw de truc met het ‘valse’ geld uit te halen en hij wist mensen week te maken of het huis uit te krijgen door ze te komen melden dat ze een fortuin hadden geërfd. Dit kon uiteraard niet goed blijven gaan. Op 2 juli 1869 werd hij opnieuw gearresteerd. Kort daarna moest hij met één bewaker op reis om met getuigen geconfronteerd te worden. Op een stille bosweg rukte hij zich los en rende zijn vrijheid tegemoet. Hij moest nu wel onderduiken en schijnt onder meer in een hol in de omgeving van zijn geboorteplaats te hebben geleefd, mogelijk nog geholpen door een vriendelijke oom - die hij ook weer bestal. Het was niet vol te houden, en de politie pakte hem op een nacht in zijn kraag, toen hij in de kegelzaal van een café lag te slapen. Hij probeerde de agenten nog wijs te maken dat hij een welgestelde plantagebezit ter uit Martinique was, die zijn familieleden hier ter plaatse toevallig niet thuis had getroffen, maar dat mocht niet baten: hij werd voor vier lange jaren ‘Gevangene Nr. 402’ in het tuchthuis van Waldheim.

Toen May op 2 mei 1874 zijn vrijheid herwon, gooide hij de boeg om. Had hij in de gevangenis soms gelezen? Was hij daar al gaan schrijven? Dat is niet zeker, omdat je zijn eigen mededelingen nooit kunt vertrouwen en omdat getuigen ontbreken. In elk geval kwam hij in contact met de pulpuitgever Münchmeyer in Dresden, voor wiens familietijdschriften hij vanaf september verhalen ging schrijven in de reeks ‘Aus der Mappe eines Vielgereisten’, zeg maar: uit de portefeuille van een bereisde Roel.
          Meteen komen we Winnetou, de ‘rode gentleman’, tegen. Old Shatterhand maakt in 1879 zijn opwachting, terwijl Kara Ben Nemsi in 1881 het levenslicht aanschouwt. Karl May had het verhalen vertellen in de vingers, en zijn reisverhalen, die vanaf 1891 door uitgever Fehsenfeld in de befaamde groene bandjes ook in boekvorm op de markt werden gebracht, veroverden het Duitse taalgebied en vervolgens de hele wereld. Kort na zijn vrijlating was May reeds met de eenvoudige Emma Pollmer uit zijn geboortedorp gaan samenwonen om vervolgens met haar te trouwen. Luxe en aanzienlijke kennissen waren zeer aan haar besteed. Niet in de laatste plaats op haar aandringen kocht May dan ook in 1896 zijn eerste eigen huis, zeer riant en met een grote tuin. In gouden letters liet hij ‘Villa Shatterhand’ op de gevel schilderen. En elke avond voor het inslapen zei Emma hem zielsgelukkig: “Hühnlichen (hoentje), het huis is van ons!” May versierde de kerstboom met goudstukken.

In biografieën - en ook weer in het overigens zeer jolige, betrouwbare en informatieve Karl May van Klaus Walther 2 wordt doorgaans gesteld dat het na die laatste gevangenisperiode definitief uit was met het gesjoemel van de schrijver. Dat is echter niet geheel waar. May kwam zelfs in 1879 nog drie weken achter de tralies, omdat hij bij het uitzoeken van de wat geheimzinnige dood van een familielid van Emma, betrokkenen ging verhoren en zich daarbij voordeed als ‘iets hogers dan officier van justitie’. In de eerste jaren in Dresden betaalde hij soms ook zijn huur niet, evenmin als de rekeningen van de sigarenhandelaar, hetgeen tot processen leidde. Hij leefde boven zijn stand, hij schepte op... Dat was zijn aard en dat zou zo blijven.


          Hoewel hij rijk werd door het opdissen van quasi zelfbeleefde avonturen in verre werelddelen, had hij tot dan toe het koninkrijk Saksen amper verlaten. Pas door hetgeen hij met het verzinnen verdiende, kon hij uiteindelijk rond 1900 de bovenbeschreven eerste reis naar het Nabije Oosten maken. In Amerika - het toneel van zijn beroemdste verhalen - kwam hij pas toen al hij met één been in het graf stond, als oude man van 66 jaar. Dat hoefden de journalisten en zijn fans niet te weten, vond hij echter. “Ja, ik heb dat alles, en nog veel méér, zelf meegemaakt,” verklaarde hij. “Ik kan u de littekens tonen van de wonden die ik opliep.” En hoewel hij zijn inspiratie uitsluitend haalde uit reisverslagen van anderen, en vooral uit een zeventiendelige encyclopedie, durfde hij te stellen: “Iedere vakman zal uit mijn werken kunnen opmaken dat ik dergelijke studies onmogelijk in mijn studeervertrek verricht kan hebben.” Terwijl dat nu juist precies het geval was! Het bontst maakte hij het met zijn talenkennis. Hij beweerde een actieve kennis van veertig talen te hebben en een passieve van waarachtig 1200: “Ik spreek en schrijf Frans, Engels, Italiaans, Spaans, Grieks, Latijn, Hebreeuws, Roemeens, zes dialecten van het Arabisch, Perzisch... om van het Laps maar niet te spreken.” Die laatste toevoeging vind ik heerlijk. Het klinkt zo overtuigend. May, die toch zo graag op de ontdekkingsreiziger en vertaler Richard Burton had geleken, loog - maar hij loog goed. Hij had trouwens een groot charisma, en ondanks zijn kleine gestalte (1,66 m) was hij een mooie man die succes had bij de vrouwen.

Net toen het in zijn leven lekker leek te gaan lopen, kwam de luis in de pels. De pulpuitgeverij Münchmeyer, die al royaal van May had geprofiteerd, begon nu ook nog de belabberdste colportageromans uit May’s begintijd onder diens naam uit te brengen. Reden voor de schrijver om de uitgeverij een proces aan te doen. Maar dat werkte als een boemerang, want om het proces te winnen gingen de advocaten in het verleden van die ‘onbetrouwbare’ May snuffelen. Helemaal gortig maakte de rancuneuze journalist Rudolf Lebius het: eerst had hij van May geld proberen te lenen, en toen dat niet lukte, volgde een smaadoffensief dat geen einde kende. Vooral die Lebius was een nagel aan May’s doodkist. Het criminele verleden van May werd in de Duitse pers breed uitgemeten, vaak té breed.
          De ware fans lieten zich hier echter niet door van de wijs brengen. Heel aandoenlijk en illustratief is de geschiedenis van Marie Hannes, aan wie vorig jaar een dik boek, Leben im Schatten des Lichts 3, is gewijd. Deze jonge, dichtende, wat gebrekkige en ook dweperige doktersdochter uit Wernigerode in de Harz, scheef zoals zovelen bewonderende brieven aan May, die zich dergelijke aandacht graag liet aanleunen. Op een triomfreis met Emma in 1897, langs zijn bewonderaars, bezocht May ook Wernigerode. Marie Hannes schreef een verslag, om te beginnen van de koetstocht van het station naar haar ouderlijke woning. “We zagen een middelgrote, maar breed en krachtig gebouwde man met snelle, elastische bewegingen... Karl May had een merkwaardig gelige gelaatstint... ‘Tropenkleur’ fluisterde Ferdi me achter zijn rug toe.” Dergelijke valse indrukken versterkte May een avond lang, terwijl het hele doktersgezin aan zijn voeten lag. “De bonte beelden uit de gehele wereld trokken aan ons geestesoog voorbij.” Diep geroerd waren ze toen May vertelde hoe hij door een adellijke weldoener in staat werd gesteld het gymnasium te volgen en vervolgens naar de universiteit te gaan. Maar toen moest hij weer voor zichzelf zorgen en ‘stak hij zijn leerboek uit het dakraam, om bij het maanlicht te lezen en aldus kaarsen uit te sparen.’ Zelfs May begreep dat dit misschien iets te ver ging, en dit zijn vijanden toch zeker niet onder ogen mocht komen. Hij ontfutselde Marie Hannes haar goedbedoelde manuscript, dat juist bedoeld was om hem te verdedigen, en berichtte haar later hoe onrijp hij het had gevonden en dat hij het had verbrand. Marie Hannes zou de rest van haar treurige leven ongelukkig zijn.

De reizen die May in het buitenland ondernam, brachten een verandering bij hem teweeg. Toen hij uiteindelijk het toneel van zijn stoere verhalen zag, moet hij erkennen dat de werkelijkheid er een beetje anders uitzag. Mogelijk mede door zijn leeftijd, door de processen en door het aandringen van zijn nieuwe vrouw Klara, ging hij volstrekt anders schrijven en de ethische wereldverbeteraar uithangen. Het grappige is dat zijn lezers daar niets van moesten hebben. Ze gaven zonder enige aarzeling de voorkeur aan zijn oude opschepperij.


Karl May voor de piramiden van Gizeh,
linksonder zijn vrouw Emma, linksboven
zijn latere vrouw Klara Plöhn.

          Op een koude maartdag in 1912 hield May in Wenen een lezing met de hoogdravende maar voor hem zeer typische titel: ‘Empor ins Reich der Edelmenschen’. Onder zijn gehoor bevond zich Bertha von Suttner, winnares van de Nobelprijs voor de Vrede, en volgens een Tsjechische getuige ook een zekere Adolf Hitler...
May vatte kou en overleed tien dagen later in zijn bed in de ‘Villa Shatterhand’. Als doodsoorzaak staat genoteerd: “Hartverlamming, acute bronchitis, astma.”
          Klara May zette de May-fabriek voort. Door haar initiatief ontstond een Karl-May-stichting alsook een Karl-May-Verlag. Die uitgeverij bestaat tot op de huidige dag en heeft een lawine van niet altijd even zorgvuldige boeken over en van Karl May over de wereld uitgestort. Onze Nederlandse uitgeverij Brecht zag trouwens ook geen been in flinke inkortingen, zodat in 1955 Old Shatterhand - ook voor U van dr F.C. de Rooy verscheen, een pleidooi voor meer tekstgetrouwheid. In Duitsland is nu een historisch-kritische uitgave van de Verzamelde Werken van May langzaam bezig te verschijnen.

Zoals afgesproken werd Karl May bijgezet in het Nike-tempeltje. Hitler had inderdaad een warme sympathie voor May, en de halfzuster van de Führer, Angela, ging graag koffiedrinken en babbelen met weduwe Klara, die geen mogelijkheid onbenut liet haar Karl hoog op te stoten in de vaart der nazi’s. Ze herschreef boeken in de juiste toonaard en ze deed iets wat misschien nog luguberder was: om een Mayherdenking op de honderdjarige geboortedag in 1942 niet te torpederen, liet ze haar eerste man, die joods bloed had, genadeloos uit het tempeltje verdwijnen en ergens anders onderschoffelen. Ze stierf tegelijk met het Derde Rijk. Alleen al vanwege het gebeurde moesten de communisten aanvankelijk niets van Karl May hebben. Zijn villa werd een gewoon woonhuis, en de collectie ging tijdelijk naar Bamberg, evenals de uitgeverij. Maar in de jaren tachtig begon men zijn boeken in de DDR weer te herdrukken. Tenslotte kwam May, een eeuw vóór onze hippies, voor de indianen op.


Titelpagina Winnetou

          En na de Wende is er van de Villa Shatterhand een aardig May-museum gemaakt. Je kunt er prettig mijmeren over alle leugens waarmee dit schrijverssucces tot stand is gebracht. En in de ontvangstruimte van May sta je dan opeens voor het theatrale symbolistische schilderij De Chodem, van de hand van zijn homoseksuele vriend Sascha Schneider. De donkere gestalte tegenover de lichtende gestalte beeldt de Mens tegenover zijn Geweten uit. Kende May die strijd?

Klaus Walther: Karl May.
Deutscher Taschenbuch Verlag. € 9,50.


[1]In: HP/De Tijd, 25 april 2003
[2]Walther, Klaus - Karl May, München : dtv Taschenbücher (Bd. 31056), 2002
[3]Steinmetz, Hans-Dieter & Dieter Sudhoff [Hrsg.] - Leben im Schatten des Lichts. Marie Hannes und Karl May, Bamberg/Radebeul : Karl-May-Verlag, 1997



Terug naar de Nederlandstalige bibliografie.

Terug naar de startpagina.