Bloemen en kransen voor schepper van het B-epos

door Sietse van der Hoek 1


Karl May, de vader van het indianenverhaal, werd 150 jaar geleden in Hohenstein-Ernstthal geboren en hij overleed tachtig jaar geleden ongeveer honderd kilometer verderop, in Radebeul. In de voormalige DDR is May lang versleten voor een „kleinburgerlijke auteur van avonturenverhalen”, die ook nog graag werd gelezen door Hitler. Desondanks werden zijn boeken stiekem toch verkocht en vanaf eind jaren zeventig volgde de ene herwaardering op de andere.

HOHENSTEIN-Ernstthal is zo arm dat de gemeente zelfs alle Kindergartens heeft moeten privatiseren. Buiten de zeventienduizend inwoners heeft normaal gesproken niemand een reden naar dit tweelingstadje te gaan, vlak langs de Autobahn van Chemnitz naar Gera verscholen. Maar onlangs was het 150 jaar geleden dat de meest gelezen Duitse schrijver er het licht zag. „Nog meer gelezen dan Goethe en Schiller”, voegen de Duitsers er graag aan toe in deze dagen van Karl May-herdenkingen die maar niet ophouden. Want 30 maart is het tachtig jaar geleden dat hij zo’n honderd kilometer oostelijker stierf, in zijn Villa Shatterhand in Radebeul bij Dresden.
Het geld voor een borstbeeld kwam van een industrieel uit Beieren. De Bond van Saksische Ondernemers schonk tienduizend tulpebollen uit Holland. „Persoonlijk” echter vindt Ekkehard Fröde dit het allermooiste cadeau, en hij wijst naar het podium van wat heel vroeger de danszaal was van Hohenstein-Ernstthal. Daar staat een miniatuur van het wevershuisje waarin Karl May 150 jaar geleden geboren werd, gemaakt door Maarten van Diggelen uit Koudekerk aan den Rijn. „Geld hebben we bitter nodig, zoals u wel opgevallen zal zijn hier. Maar dit is met eigen handen gemaakt, daar is zoveel tijd aan besteed, het is, nou ja, het is echte liefde voor Karl May.”
Fröde is directeur van dat tot museum ingerichte geboortehuisje aan de Karl May Strasse in Hohenstein-Ernstthal. Van Diggelen is een van de zestienhonderd leden (uit twintig landen) van het Karl May Genootschap. Vandaar dat ze elkaar wel eens treffen. De laatste keer, een paar maanden geleden, had hij Van Diggelen gevraagd of die niet ook van Mays geboortehuis een miniatuur kon maken zoals hij gedaan had met Mays sterfhuis in Radebeul. En daar staat het nu, met zelfs een lampje boven het weefgetouwtje in een binnenkamertje. Fröde citeert wat May er zelf over schreef in zijn autobiografie Mijn Leven en Streven: „Freilich war das Haus nur drei schmale Fenster breit und sehr aus Holz gebaut, dafür aber war es drei Stockwerke hoch und hatte ganz oben unter dem First einen Taubenschlag.”
Ook het groepje schoolkinderen dat hij even later rondleidt langs de vitrines, de stukken van het altaar waar Karl zijn eerste vrouw Emma huwde, de portretten en andere heilige Karl May-voorwerpen kennen Karl May-teksten uit hun hoofd. Als Fröde, hij was vroeger onderwijzer, staand bij een portret van May met de legendarische zilverbuks de spreuk begint: „Ich selbst bin...” vallen de kinderen hem bij en vervolgen in koor: „....Old Shatterhand und Kara Ben Nemsi und habe all jene Abenteuer und Heldentaten, die in meinen Bücher geschrieben stehen, selbst erlebt.”

Pas na het schrijven van zijn boeken is hij als een simpele toerist met zijn tweede vrouw Klara gaan kijken in het Wilde Westen 2 en Midden-Oosten 3. Hij heeft niet eens de moeite genomen door te reizen naar het reservaat van de Sioux, het volk van zijn bloedbroeder Winnetou (zijn homovriend Winnetou, volgens de May-exegeet Arno Schmidt). Sommige tijdgenoten vonden hem daarom maar een bedrieger dat hij zei: „Ich selbst bin...”
Ook Van Diggelens versie van Villa Shatterhand is present. En de wandelstok en zwarte jas met vossebontkraag, waarin hij ziek terugkeerde van een lezing voor tweeduizend toehoorders in Wenen. En het bed waarop Karl May zijn adem definitief uitblies na nog geschreven te hebben: „Es sei Frieden.” 4
De woorden staan op de sokkel van zijn splinternieuwe bronzen buste bij de kerk op de Neumarkt van Ernstthal. Honderd meter verder valt het Karl May Haus direct op: het is de enige fleurige gevel in de straat. Pas tussen 1983 en 1985 is het gerestaureerd en ingericht als museum: voornamelijk documenten uit zijn leven en exemplaren van zijn boeken in vele talen. De derde etage is laag, en een beetje volwassene stoot er gegarandeerd zijn hoofd. Daar is de woonkamer met het weefgetouw van het gezin May gereconstrueerd. Karl was de vijfde van veertien kinderen, van wie er slechts vijf hun eerste levensjaar overleefden. Hohenstein- Ernstthal was 150 jaar geleden nog armer dan nu.
Op zijn proletarische afkomst is door de marxistische schriftgeleerden sterk de nadruk gelegd toen Karl May weer officieel was toegestaan in de DDR. In de jaren vijftig werd hij verboden en vermeldde de DDR-Lexikon slechts: „Karl May, kleinburgerlijke auteur van avonturenverhalen; schreef pretentieloze, onrealistische, van uiterlijke spanningseffecten aan elkaar hangende romans.”
Verder was de man met dezelfde initialen als Karl Marx ook nog zo’n zweverige pacifist, die de arbeiders maar hinderde in hun revolutionaire vrijheidsstrijd. En een religieuze utopist in zijn laatste levensjaren. En in de grond van de zaak eigenlijk een verheerlijker van het Amerikaanse imperialisme. En bovendien was Hitler een grote May-fan geweest. Had die niet meer dan eens verklaard dat Karl May hem de beslissende kennis had bijgebracht over de wereld en het leven? Mays boeken werden toch stiekem onder de toonbank verkocht, herinnert Ekkehard Fröde zich, Hij wijst op Mays sterfbed en jas op zijn als een uitdragerswinkel ogende tentoonstelling in de vroegere danszaal. „Dat en dat en andere meubels zijn verkocht aan het Westen, voor vijftigduizend Duitse mark; de DDR had deviezen nodig.” Hohenstein-Ernstthal is door de ineenstorting van de textielindustrie na de Duitse eenwording op zwart zaad komen te zitten; de helft van de beroepsbevolking is zijn baan kwijtgeraakt. Misschien als het later wat beter gaat, wordt ook het Karl May-hol weer toegankelijk gemaakt. Het is een ingestorte oude mijngang, waarheen de jonge Karl May een paar keer is gevlucht om zich te verbergen voor de politie. In totaal bracht hij elf jaar 5 door in Saksische gevangenissen, wegens diefstal (onder meer van een paard), oplichting, flessentrekkerij. Na die ongelukkige periode in zijn leven, en mede dank zij het lezen van avonturenromans in de gevangenisbibliotheek, besloot hij zijn leven te wijden aan het schrijven van verhalen over nobele helden in een verbeelde wereld.
Curieuzer nog dan de gedenkwaardigheden in zijn geboortestadje is de levend gehouden Karl May-herinnering in het aan Dresden vastgegroeide Radebeul. Huize Shatterhand is een echte villa in een straat die ook hier Karl-May- Strasse heet. De blokhut-snackbar tegenover heet Zum blonden Greenhorn. In de tuin van de villa verkoopt Sam’s Saloon behalve worst en friet ook Karl May-jubileumbier. In de straat zijn niet meer dan veertien parkeerplaatsen voor auto’s.
Eind jaren zeventig werd in de DDR behoedzaam de vraag opgeworpen of Karl May toch niet kon worden beschouwd als een voorbeeldige pré-socialist, als een strijder voor de wereldvrede. „Hoewel zijn politieke standpunt indifferent was en zijn ver gaand idealistische opvattingen speelruimte lieten voor misvattingen”, staat er voor alle zekerheid bij in de DDR-catalogus die (voor 7,5 mark) nog steeds verkocht wordt in Huize Shatterhand in Radebeul. Achterin de brochure presenteert DDR-auteur dr Klaus Hoffmann een geraffineerd staaltje geschiedverzwijging. „Zoals ook andere culturele instellingen”, schrijft hij, „moest ook het Karl May-museum na 1945 gezuiverd worden van fascistisch gedachtengoed. Aan het begin van de jaren tachtig maakte de cultuur-politieke ontwikkeling in de DDR het objectief noodzakelijk een herdenkingsmuseum in te richten ter ere van de auteur Karl May.„ De blokhut Bärenfett achter in de tuin van Huize Shatterhand mocht in de tussenliggende tijd de cultuur van de Noordamerikaanse indianen blijven tentoonstellen. De Villa Shatterhand bood al die jaren van „zuivering van fascistisch gedachtengoed” onderdak aan een kinderdagverblijf.
Toen ik er vorige week was staken de hoofden van indiaanse opperhoofden in plastic zakken die gevuld waren met een insectenverdelgingsmiddel. En in Villa Shatterhand waren briefjes opgehangen met de mededeling dat het museum de laatste drie weken van maart gesloten zou zijn en weer geopend zou worden op 30 maart, de tachtigste sterfdag van Karl May. Een vrouwelijke suppoost zei er ook verrast door te zijn. „Men wil de dingen wat anders opstellen, heb ik gehoord.” Daar valt wat voor te zeggen. Het is er propvol, donker en hier en daar wat stoffig. En vooral, zoals al het uiterlijke in de voormalige DDR, het is weinig verleidelijk.

Wat opnieuw gezuiverd zal worden is bijvoorbeeld de didactische tekst bij een van de vitrines over de wereld van Karl May: „Ontspanningsliteratuur wil de lezer in zijn verbeelding naar exotische verten voeren, de dagelijkse strijd om werk en eten doen vergeten, en is erop gericht hem af te houden van de zich in deze tijd toespitsende sociale meningsverschillen.” Karl May zou er zich een kilometer verderop in zijn Griekse tempelgraf van hebben kunnen omdraaien. Achter vier ionische zuilen buigt zich uit hemelse heerscharen een marmeren engel met uitgestoken arm naar voren. „Wij en jouw aardbewoners verwachten je hier aan de hemelpoort”, staat er in klare letters geschreven op de muur van het mausoleum. Ervoor liggen drie kransen en twaalf bossen verse bloemen.
ledere Duitser is opgegroeid met Karl May, de geniale schepper van het B-epos. Alleen al in het Duits zijn er tot heden tachtig miljoen exemplaren van verkocht, meldt een affiche op de Karl May-tentoonstelling in het Stadtmuseum van Cottbus. Net als in Hohenstein-Ernstthal en in Radebeul liggen in Cottbus ook opmerkelijk veel Nederlandse Karl May-uitgaven uitgestald. In 33 talen zijn de Winnetous, Old Shatterhands, Old Firehands en Kara Ben Nemsi’s vertaald. „De tentoonstelling was geil”, schrijft een punk in het Cottbuser gastenboek.


De blokhut Villa Bärenfett achter in de tuin van Villa Shatterhand in Radebeul.




[1]In: De Volkskrant, 14 maart 1992. Foto’s Wim Ruigrok – De Volkskrant.
[2]Hij is met zijn tweede vrouw inderdaad in 1908 in Amerika geweest, maar het (voormalige) Wilde Westen hebben ze nooit bereikt.
[3]De reis naar het Midden- (en Verre) Oosten vond plaats in 1899/1900; Karl May was op dat moment nog gewoon gelukkig getrouwd met zijn eerste vrouw, Emma.
[4]Dat heeft hij helemaal niet geschreven. „Es sei Friede!” (niet: Frieden) is een boek met zeven korte verhalen dat in 1988 is uitgegeven door Verlag Das Neue Berlin. Zijn laatste woorden waren, volgens Klara May: „Sieg, großer Sieg! Ich sehe alles rosenrot!”
[5]Karl May heeft slechts zeven en een half jaar en negen weken in de gevangenis gezeten! (Van 6 september tot 20 oktober 1862 in Chemnitz; van 14 juni 1865 tot 2 november 1868; van 3 mei 1870 tot 2 mei 1874 in Waldheim en van 1 tot 22 september 1878 in Ernstthal)



Terug naar de Nederlandstalige bibliografie.

Terug naar de Karl May-startpagina.

Terug naar de Apriana-startpagina.