De hele Bibelebontse berg.
De geschiedenis van het kinderboek in Nederland & Vlaanderen van de middeleeuwen tot heden


Harry Bekkering (e.a.) 1




p. 277 :
          Het derde voorbeeld dat hier ter sprake komt is August Niemanns Pieter Marits. Lotgevallen van een Transvaalschen Boerenjongen (twee delen, 1885-1887), de vertaling van Pieter Marits, der Burensohn von Transvaal. August Niemann (1839-1919) was

p. 278 :
een tijdgenoot van Karl May (1842-1912). Beide Duitse auteurs schreven verhalen vol gevechten en gevaren, dapperheid en vriendschap, die speelden in verre landen. Karl May schreef zijn verhalen niet opzettelijk voor de jeugd. De jeugd heeft zijn boeken geannexeerd. Pieter Marits is wel voor de jeugd geschreven; het werd enorm populair: nog in 1980 verscheen er een herdruk [...]

p. 320 :
          Daar staan echter getuigenissen van tijdgenoten tegenover. Zo oordeelt Cornelis Veth buitengewoon mild over de boeken van Aimard, die hij ‘niet gansch onstichtelijk’ noemt; de liefde voor de natuur, voor vreemde volkeren en voor de vrijheid weegt ruimschoots op tegen ‘het beetje bloeddorst’ en ‘de vele onzin’ (Veth, 1912). Theo Thijssen gaat nog veel verder in zijn tijdschrijft De Nieuwe School: ‘Erger nog, ik heb de stellige overtuiging, dat die heerlijke boeken van Aimard machtig veel hebben bijgedragen tot mijn geestelijke groei; ik weet zeker, dat ik veel minner soort mens geweest zou zijn, als Aimard niet had meegedaan aan m’n opvoeding. En als het waar is, dat de tegenwoordige jeugd als gevolg van kwasi-pedagogische kletscampagnes tegen de avonturenboeken, minder Aimard en minder Marryat [Captain Marryat, 1792-1848, auteur van spannende zee-avonturenverhalen] [...] te lezen krijgt dan vroeger, dan beweer ik, dat ie bij ons vergeleken, heel wat te kort komt.’ (Geciteerd naar De Vries, 1989).
          Jaren later houdt Godfried Bomans soortgelijke betogen, en, al zijn zijn voorbeelden andere auteurs (James Fenimore Cooper, Karl May), het gaat in wezen om hetzelfde. De avonturenroman dankt in Bomans’ visie zijn succes aan het feit dat de hoofdpersoon een held is, met wie de lezer zich nu eenmaal graag identificeert. Het thema is altijd: de held die wint. Hij legt, net als Blokker (1974), maar dan in positieve zin, verband met de ‘grote’ literatuur: of de held nu Odysseus heet of Buffalo Bill, Aeneas of Sherlock Holmes, dat doet niet terzake. Waar het om gaat, is dat hij alle gevaren trotseert en eindigt als overwinnaar. Volgens Bomans is er maar één manier om minderwaardige avonturenverhalen - hij doelt dan op kioskromans als Lord Lister en Dick Bos - te bestrijden: met goede avonturenverhalen. Daarom moet men kinderen het werk van, en daar verschijnen ze weer, Karl May, James Fenimore Cooper en Paul d’Ivoi in handen geven. Het is onzin om te denken dat men hun ooit zou kunnen verbieden avonturenverhalen te lezen en er is ook niets op tegen: ‘Nog nooit is er een jongen gesignaleerd, die zijn vriendinnetje op een spoorrail vastbond en met een mes doorstak, omdat hij dat

p. 322 :
ergens in een Indianenverhaal gelezen had. Een jongen die dat doet, is niet wijs. Een andere verklaring is er niet’ (Bomans, 1948).
          Opvallend is dat geen van de geciteerde auteurs in zijn voorbeelden refereert aan al of niet jeugdliteraire geschriften - want de schrijvers die genoemd worden, schreven niet primair voor kinderen - van Nederlandse makelij. Slaat men de beide deeltjes Dát was nog eens lezen! op, dan doet zich daar (bijna) hetzelfde verschijnsel voor. Geert van Beek adoreert Winnetou; A. den Doolaard spreekt over legendarische Indianenbevechters als Old Shatterhand en Old Firehand; Rinus Ferdinandusse treurt nu nog om Winnetous dood; ook Han G. Hoekstra las natuurlijk alle Karl Mays en noemt eveneens Aimard; en zelfs een vrouwelijk auteur als An Rutgers van der Loeff wilde niets liever dan Winnetous sporen drukken; J.C. van Schagen vermeldt het zo langzamerhand bijna bekende rijtje, Karl May, Gustave Aimard en Paul d’Ivoi; Bob den Uyl kon niet loskomen van Dumas’ De drie musketiers; Adriaan van der Veen las en herlas alles van Karl May en vermeed De dood van Winnetou, voor hem mócht Winnetou niet dood, maar vond ook de werken van Paul d’Ivoi en Captain Marryat opwindende lectuur; Winnetou en de zeerovers acht Leo Vroman het schitterendste boek uit zijn jeugd; Hans Berghuis wijdt een gedicht aan Winnetou en Karl May blijkt voor F. van den Bosch vooral een magistraal verteller te zijn; Rein Bloem bewierookt Steubens Tecumseh (‘de Bergleeuw’ voor insiders). [...]

p. 418 :
          Elke man kan slapend een boekenheld uit zijn jeugd, iemand uit Karl May, of Jules Verne of Arendsoog noemen die naar zijn zeggen zijn leven beïnvloed heeft. Dat zijn de geaccepteerde Helden van de mannelijke jeugd. Sommige vrouwen hebben hun eigen Heldinnen: Joop ter Heul, Jet van Marle of Margreet Albrecht, de hoofdpersoon uit Sturmfels. [...]

p. 625 :
          Een goede greep van Becht waren de Karl May-boeken, waarvan er in de loop der jaren zo’n 450000 werden verkocht. Maar Becht wilde graag oorspronkelijk Nederlands werk uitgeven en probeerde dus Nederlandse auteurs aan zich te binden. Van hen zijn uit de beginperiode de belangrijkste Tine van Berken, Top Naeff (School-idyllen, 1900, waarover De Groene Amsterdammer schreef: ‘Top! gij, jonge schrijfster, wat hebt ge aan ’t jonge Nederland daar een alleraardigst boek bezorgd...’) en J.B. Schuil, wiens Jan van Beek in 1909 verscheen. Niet lang na de eerste wereldoorlog nam de volgende generatie Bechts het bewind over. De jongste zoon had een jaar bij Scheltema & Holkema in Amsterdam gewerkt, zijn broer volontairde bij De Erven Loosjes in Haarlem. De tweede wereldoorlog legde Uitgeverij Becht vrijwel lam. [...]


[1]Amsterdam, Em. Querido’s Uitgeverij B.V., 1989.
ISBN 90 214 6554 X / CIP / NUGI 644



Terug naar de Nederlandstalige bibliografie.

Terug naar de startpagina.