Kara Ben Nemsi


door G. Philip Mok 1


„Het veroorzaakt altijd pijn als men in wonden woelt die niet helen willen. Ik had reeds in Beiroet de dodelijke vijandschap leren kennen die er tussen de mohammedaanse Droezen en de christelijke Maronieten van Libanon steeds geheerst heeft en die nooit zal eindigen. Daar u de toestanden kent, hoef ik u geen verklaring te geven. De genoemde vijandschap ontstaat door het verschil in geloof. Droezen en Maronieten bewonen de hoogten en dalen van Libanon en beiden spreken hetzelfde Arabisch; maar de Maronieten zijn katholieke christenen, ofschoon ze wat betreft hun liturgie en het priesterhuwelijk, afwijken van de roomse kerk en de Droezen belijden de islam, hebben echter hun geheime leerstellingen en zoals men zegt, volgen zij de oude Syrische natuurdienst. In vroeger tijden streden Droezen en Maronieten samen tegen de Turken; bergvolken verzetten zich steeds het meest en het langst tegen hun overwinnaars. Om deze eendracht te vernietigen werd vijandschap tussen hen gezaaid; de vrucht gedijde en de gevolgen waren de bloedige en onmeedogende slachtingen die plaatsvonden.” (..)
„De bloedigste gevechten werden geleverd bij Hasbeya en in de stad Rasjeha, die noordelijk aan de bronrivieren van de Jordaan ligt. Daar werden de Maronieten bij duizenden gedood.” Wie in bovenstaande beschrijving de gebeurtenissen van de laatste jaren in Libanon meent te herkennen, heeft zowel gelijk als op een bizarre banier ongelijk. Ik citeer deze zinsneden uit een indringend brokje geschiedschrijving van nota bene Karl May, niet alleen de schepper van de Indiaan Winnetou en Old Shatterhand, maar ook de geestelijke vader van de Duitse woestijnheld Kara Ben Nemsi.
Het amusante schuilt uiteraard niet in bovenstaande brokjes geschiedenis maar in de avonturen die de held Kara Ben Nemsi, dezelfde persoon overigens als Old Shatterhand, beleeft en die hem in conflict brengen met brave bedoeienen, snode sji’ieten, smokkelende Perzische bandieten, corrupte Iraanse moella’s (sji’itische geestelijken die vandaag zo’n vitale rol spelen ten bate van de heerschappij van ayatolla Khomeini), kortom allerlei soorten inwoners van de Middenoosterse regio.
Karl May heeft zich duidelijk grondig verdiept in de toenmalige literatuur over dit gebied. Zijn beschrijvingen, die overigens stijf staan van lessen in christelijke moraal, zijn beslist niet anti-Arabisch: maar hij verklaart wel aan de hand van hetgeen hij van Arabisten heeft opgestoken, hetgeen af te leiden valt uit de vele Arabische uitdrukkingen die hij correct gebruikt, veel over handel, denken en mentaliteit in het Arabië van zijn tijd. Wie meent dat er veel veranderd is op het vlak van bloeddorstige misère mag het zeggen. Er is geen zier veranderd.
Het is tegen dit soort ellende dat Israel zich al vele jaren moet verdedigen; waarbij wat van Arabische zijde aan propaganda en onzin verkondigd wordt, door zóveel naar de regio gezonden Westerse verslaggevers klakkeloos wordt geloofd, dat een mens er somber en verbijsterd van kan raken. De Israeli’s worden veelvuldig, door de aan vele bloedbaden schuldige Jasser Arafat bij voorbeeld, voor nazi’s en volkenmoordenaars uitgemaakt, rellen worden een complete volksopstand, ga maar door. Het bittere is dat velen Arafat geloven en louter Israel misprijzen.
Het is waarlijk geen wonder dat premier Jitschak Shamir er zijn wanhoop over uitsprak dat Israeli op deze wijze altijd met de Zwarte Piet wordt opgezadeld. Shamir: „Het is Israel verboden te doden, te deporteren, te slaan of zich te verdedigen. En je vraagt je af wat Israel eigenlijk is toegestaan. Alleen maar gedood te worden, gewond te worden, verslagen te worden? De Veiligheidsraad is nog nooit bijeengekomen als joden werden vermoord, ook als wij getuigen waren van enorme tragedies.”
Zonder te beweren dat de Israeli’s zich immer voorbeeldig gedragen, wat premier Shamir ook niet poneert, valt vast te stellen dat voor velen het perspectief van de gebeurtenissen in het Midden-Oosten allang verloren is gegaan; en dat zelfs talrijke Israeli’s het zicht op de gevaren, die helaas inherent zijn aan de omgeving waarin de joodse staat gevestigd is, vandaag bijster zijn. Toegegeven moet helaas worden dat het ook lastig is om, zoals het cliché luidt, door de bomen het bos nog te zien nu opgehitste Arabische burgers Israels door het verschijnsel democratie onvermijdelijke zwakte gebruiken om met aangedikte jammerlijke verhalen hun eigen (on)waarheden te verkondigen.
„Een Arabier meent wat hij zegt op het moment dat hij het zegt,” tekent de Arabist John Laffin in zijn boek De Arabische mentaliteit (Bruna & Zoon) aan, „hij is noch een verdorven noch een gewoonlijk berekend leugenaar, maar een natuurlijke leugenaar.” En: „Taal schept, rechtvaardigt en verontschuldigt geweld.” Karl May heeft in zijn jeugdroman op dezelfde fenomenen gewezen. Een Arabische vriend van Kara Ben Nemsi, sjeik Halef, legt uit waarom hij overdrijven niet als liegen ziet en waarom „een verstandig mens steeds meer zal zeggen dan eigenlijk juist is.”
Hij verklaart dit door te wijzen op de ongelovigheid van de mens: „lk de bezitter van één enkel kind zeg dat ik tien jongens en meisjes heb; ik beweer zes-en-negentig tanden te bezitten en dat is geen leugen, want ik weet immers dat men er minstens driekwart van zal aftrekken. Als er één mens in een rivier omgekomen is moet ik beweren dat er tien zijn verdronken.”
Dit schreef Karl May halverwege de vorige eeuw. Deze week verklaarde Jasser Arafat ijskoud op de tv dat er bij de recente rellen tachtig doden zijn gevallen; het werkelijke aantal was acht-en-dertig: erg genoeg zonder franje, zou je zo zeggen, maar in Arabië denkt men anders. En moordt men verder. Het wordt tijd dat het besef hiervan, net als in de vorige eeuw, weer tot het Westen doordringt.



[1]In: Nieuw Israëlietisch Weekblad, 29 januari 1988.



Terug naar de Nederlandstalige bibliografie.

Terug naar de Karl May-startpagina.

Terug naar de Apriana-startpagina.