Over Winnetou – ‘… zussen pesten hou je nog geen week vol …’

door Gerard Diehl 1


Na een verblijf van enkele maanden in Amerika kwam mijn vader met een cadeau terug. Twee gietijzeren klapperpistolen in een dubbel holster.
The Yellow Rose of Texas werd veel op de radio gespeeld.
Niemand van mijn vriendjes had pistolen in holsters. We speelden wel vaak cowboytje. Toen ik naar de lagere school moest, mocht ik m’n revolvers niet meenemen.
Het jaar daarop speelden we niet zoveel cowboytje, maar Boedapestje. Mijn vriendje zei wwoensdagsmiddags altijd: „We moeten nu naar de radio gaan luisteren of de Russen al hier zijn.” Hij kwam uit een gereformeerd gezin en daar hadden ze dus allang gedetailleerde kennis van het ‘rijk der duisternis’. Wij vonden het alleen maar zielig voor de kinderen, totdat wij speelgoed voor de Hongaarse kinderen moesten inleveren. Toen waren wij zelf zielige kinderen, want je moest wel je beste speelgoed. Gelukkig mocht ik m’n revolvers houden. Die hadden ze in Hongarije waarschijnlijk in het echt gezien en dan hoef je ze niet meer in speelgoed.
Een meisje in onze straat kreeg polio. Dat hebben we ook nog nagespeeld.

Toen ik goed kon lezen nam ik twee andere vriendjes, maar geen echte vriendjes. Eén had alle delen van Kick Wilstra en onze bovenbuurjongen had de Donald Duck. Thuis kregen we toen een verantwoord jeugdblad met plaatjes, maar ook met letters. Dat was dus voor mijn oudste zus; te weinig plaatjes en te veel letters.
Via kennissen van kennissen konden we in de vakantie veertien dagen in een groot buitenhuis logeren. Het was een regenachtige zomer en in het najaar zou ik op voetballen gaan. Van oefenen voor de voetbalwedstrijden kwam niets terecht. Ze hadden in dat huis veel speelgoed.
En een grote plank met heel veel dikke bruine boeken.
Na twee dagen regen en te veel Monopoly heb ik het eerste boek van de plank gepakt. Er stond tenslotte een IIndiaan op de omslag en je kunt niet weten of er dan niet ook plaatjes in het boek zelf zitten. Dat was een teleurstelling; een paar klunzig getekende platen in een heel dik boek. Ook in de andere delen stonden maar weinig platen.

Een vakantie van veertien dagen die door verveling vergald leek te worden. Zussen pesten hou je nog geen week vol en ze kunnen ook terug pesten.
Nou ja, een bladzijdje lezen om te kijken waar het over gaat, dat kon ik wel ’ns doen.
Vreemde taal, zo had juffrouw Vleesdrager van de Carel Fabritiusschool het ons niet geleerd, al begreep ik het wel.

Bladzijde na bladzijde las ik door. Het werd steeds spannender. We moesten eten, boek mee aan tafel: ruzie. We moesten een uitstapje met de auto, boek mee: ruzie. Na die eerste dag begrepen mijn ouders dat gebeurd was waar ze op gehoopt hadden. Hun kind was gaan lezen. Dat het meteen wat maniakale vormen aannam, hebben ze op de koop toe genomen. Het was tenslotte voor mij ook vakantie en ik ben met rust gelaten. Binnen lezen, buiten lezen, met de zaklantaarn onder de dekens en ook nog vroeg op om te lezen.
Dat het uitgerekend een Duitser moest zijn die mij aan het lezen had gebracht, zullen mijn ouders wat minder leuk hebben gevonden, maar hij was voor de oorlog al overleden.
Al die dikke bruine boeken heb ik die vakantie gelezen, de hele plank.

Mijn vriendjes bleken een paar van die boeken ook gelezen te hebben. Wat spelpedagogen waarschijnlijk een stuk spelstructuur zullen noemen, deden wij toen we weer in de straat cowboytje gingen spelen: we speelden de boeken na.
Als je aan de rand van een nieuwbouwwijk woonde, was er altijd wel een bouwwerk waar je hout kon vinden.
Han Verhagen was de eerste met een Berendoder. Een zwaar stuk hout had hij bewerkt met een vijl (de schaaf mocht hij van z’n vader niet gebruiken want dat was te gevaarlijk) en de vorm van de kolf was aardig gelukt, moesten we toegeven. De loop was een metalen elektriciteitsbuis. Plasticbuis was niet geschikt voor een Berendoder en daar had hij gelijk in.
Ik ging de Zilverbuks maken en met de kolf heeft m’n vader wel moeten helpen. Het zilverbeslag dat er zeker op moest, was een probleem. Maar van de stoel die opnieuw bekleed was, waren mooie bolle spijkertjes overgebleven. En met fietslak kon de plastic eletriciteitsbuis mooi zwart gemaakt worden.
Aan het Henry Martin rrepeteergeweer 2 zijn we die zomer niet toegekomen.

„In de verte hoorde ik de Zilverbuks spreken en ik wist dat mijn vriend Winnetou nog in leven was.”

In september ging ik op voetballen. De Zilverbuks is in de loop der jaren gesneuveld, maar de revolvers heb ik nog, al is er door een buurjongetje eentje kapot gemaakt.
Winnetou en Old Shatterhand van Karl May heb ik nog wel eens gelezen.
Old Shatterhand is eigenlijk een door godsdienst gedreven griezel met übermensch-achtige trekjes.
In de jaren vijftig was hij mijn held.




[1]In: Het Vrije Volk : democratisch-socialistisch dagblad, 26 november 1987.
[2]Een Henry-Martin-repeteergeweer bestaat niet!
Karl Mays Henrygeweer was wel een repeteergeweer, ontwikkeld door de Amerikaanse geweermaker Benjamin Tyler Henry (1821-1898) uit St. Louis/Mo.; het Martini-Henry-geweer, een eenschots achterlader, werd daarentegen ontwikkeld door de Zwitserse geweermaker Friedrich von Martini (1833-1897) en de Schotse geweermaker Alexander Henry (1818-1894).



Terug naar de Nederlandstalige bibliografie.

Terug naar de Karl May-startpagina.

Terug naar de Apriana-startpagina.