Tussen Keulen en Parijs – Old Shatterhand in de DDR


door Koos van Weringh 1


„Misschien komt het nog eens zover dat hij moet worden gezien als de grote vertolker van de internationale solidariteit van de arbeidersklasse”. Met hij is bedoeld Karl May en de zin komt voor in een artikel dat ik voor deze krant schreef en dat op 2 april 1987 gepubliceerd werd. De aanleiding was de 75ste sterfdag van de omstreden schrijver.
Ik had een bezoek gebracht aan de Beierse stad Bamberg waar na de oorlog het Karl May Museum werd opgericht. Zo’n museum bestond ook al voor de oorlog, maar dat was in Radebeul en dat kwam na de Duitse deling in de DDR te liggen. En in dat land kon destijds van waardering voor Karl May, die tenslotte ook door de nationaal-socialisten bewonderd werd, geen sprake zijn. De DDR-autoriteiten werkten er aan mee dat een deel van de inventaris uit Villa Shatterhand, zoals het museum heette, naar Bamberg ging. Ook de bibliotheek van Karl May.
De laatste jaren is er echter sprake van een oplevende belangstelling voor de schrijver in de arbeiders- en boerenrepubliek van Ehrich Honecker. De boven geciteerde zin moet dan ook min of meer als een sarcastische veronderstelling worden beschouwd. En veronderstellingen dienen ervoor, zo is mij althans in mijn studententijd nog bijgebracht, onderzocht en vervolgens bewezen dan wel verworpen te worden.
Omdat ik toch in Dresden was besloot ik het niet ver daar vandaan gelegen Radebeul te bezoeken. Zou de Villa Shatterhand er nog zijn? Die vraag hoeft niet lang op antwoord te wachten. Als mijn Westduitse vriend en ik het stadje binnenrijden – in zijn auto, laat ik dat er even bij vermelden – zien wij al borden waarop wordt aangegeven hoe het museum te bereiken is. De straat staat vol met autobussen die groepen kinderen naar de Villa Shatterhand brengen. Die naam is op de daklijst geschilderd. In de tuin bevindt zich de Villa Berevet, dat was zoals elke May-kenner weet, de naam van de woning van Hobble-Frank, de vriend van Old Shatterhand. In de Villa Berevet, gebouwd als een blokhut, is een grote verzameling voorwerpen van indiaanse herkomst bijeengebracht: pijlen en bogen, geweren en andere wapens, sieraden, kledingstukken en nog veel meer wat tot het leven van de indianen behoorde. Er hangen ook schilderijen en tekeningen waarop de strijd van het rode volk tegen de oprukkende blanken wordt weergegeven. Een groep schoolkinderen, tien, twaalf jaar oud schat ik, staat voor een drieluik van de veldslag die op 25 juni 1876 plaatsvond, de slag van generaal Custer. Een begeleider legt uit wat er te zien is en wat er toen gebeurde. De indianen probeerden zich te bevrijden van hun onderdrukkers en uitbuiters, zoals „wij ons van het Hitler-fascisme bevrijd hebben”. Ik citeer letterlijk. Dat de indianen het onderspit moesten delven kwam omdat zij geen broedervolk hadden dat hun te hulp snelde. De kinderen horen met gespannen aandacht toe. Een van hen vraagt hoe het tegenwoordig met de indianen gesteld is. De begeleider antwoordt dat de weinigen die er nog zijn in kampen zijn ondergebracht, waar ze een ellendig leven leiden.
Bij de ingang is een paneel waarop in het kort de geschiedenis van het museum wordt weergegeven. Na het jaartal 1937 waarin een forse uitbreiding werd doorgevoerd, zowel van het gebouw als van de voorwerpen (toen werd door de nationaal-socialisten de 25ste sterfdag van de schrijver met grote luister herdacht) volgt het jaartal 1955 waarin nieuwe plannen werden gemaakt. Wat er in die tussentijd gebeurde komt de bezoeker niet te weten. In elk geval veranderde in 1956 de naam van het museum in indianermuseum; de naam van Karl May verdween.
Maar zelfs in een communistisch regime staat niet alles voor alle tijden vast. In 1984 werd het gehele complex herdoopt in Karl May Museum en staat het onder auspiciën van het Staatsmuseum voor Volkenkunde in Dresden. En, dat dient gezegd, de verantwoordelijke geleerden hebben er geen gras over laten groeien. In een catagolus staat vermeld dat de verzameling van 1937 geen vormende waarde had en veel te romantisch was. De nadruk moet nu meer worden gelegd op de vrijheidsstrijd van de indianen, toen en nu – en wel in het kader van de rechten van de mens en het recht op zelfbeschikking. In de Villa Shatterhand worden het leven en het werk van Karl May tentoongesteld (nergens wordt vermeld dat zich in Bamberg een belangrijk deel van de collectie bevindt). Wat er te zien is valt er te verwachten. Er zijn veel eerste drukken van boeken, in alle mogelijke talen, ook enkele gebonden uitgaven van de Amsterdamse uitgever H.J.W.Becht uit 1904. Ik kijk er met bewondering naar.
In een vouwblad wordt een overzicht gegeven van het leven van May en vooral van de betekenis van zijn werk, doorspekt met citaten van enkele groten der aarde die de schrijver beschouwen als een apostel van de vrede: Albert Einstein, Hermann Hesse, Heinrich Mann en Albert Schweitzer. Dat ook Karl Liebknecht hem altijd gewaardeerd heeft en steeds herlas, spreekt in dit verband bijna vanzelf. Toen May als schrijver goed op gang kwam waren de omstandigheden uiterst gunstig. In het imperialistische Duitse keizerrijk verbeterde de materiële toestand van de arbeidende klasse aanzienlijk. De boeken van May sloten goed aan bij deze proletarische klassenstrijd, hoewel de schrijver zich eerst aan het eind van zijn leven bewust werd van de innerlijke tegenstrijdigheden die het kapitalistische systeem kenmerken. Zijn verhalen over Noord-Amerika geven een scherp inzicht in de indiaanse verzetstrijd tegen roof en onderdukking en die over het Nabije Oosten en de Balkan in de machtstrijd van de imperialistische mogendheden. Toen May aan de vooravond van de eerste wereldoorlog veel schreef over de vrede tussen de volken en de noodzaak tot ontwapening kwamen militante en reactionaire groepen in actie om hem in discrediet te brengen door te wijzen op zijn verleden, waarin enige criminele feiten voorkomen. Wat May met zijn boodschap wilde paste niet in het imperialistische Duitsland.
Mijn sarcasme van enige maanden geleden heeft het tegen de feiten afgelegd, moet ik toegeven. Maar ik ben er nog niet. Als de bezoeker de deur uitkomt die hem naar de uitgang voert ziet hij tegenover zich aan de muur een levensgroot portret hangen van Hermann Kant, de voorzitter van de Schrijversbond van de DDR, de partijbons die vaststelt wat in zijn land kan worden uitgegeven en wat niet. Onder de foto staat een citaat uit zijn bekende boek Die Aula waarin over May onder meer gezegd wordt: „Geprezen zij uw veel gesmade naam”. Karl May is, kortom, in de DDR volledig geaccepteerd: de paus van de literatuur heeft het zelf bevestigd.
Een dag of wat later lopen wij door Weimar. Aan de overkant van de straat is een bioscoop. Omdat ik uit de verte niet goed kan zien wat er vertoond wordt steek ik even over. Inderdaad: een Amerikaanse film over Winnetou en Old Shatterhand 2.


[1]In: Trouw, 20 juni 1987.
[2]Voor zover mij bekend, bestaan er geen Amerikaanse films over Winnetou en Old Shatterhand; weliswaar wordt in de grote Karl May-films uit de jaren ’60 een van de hoofdrollen vertolkt door de Amerikaanse acteur Lex Barker, maar dat maakt het nog lang geen Amerikaanse films. Moeten we dan misschien denken aan Amerikaanse vertalingen van de Karl May-films, die doorgaans titels hebben die niet in het minst lijken op de Duitse originelen: Winnetou I werd „Apache Gold”, Unter Geiern „Frontier Hellcat”, Der Ölprinz „Rampage at Apache Wells” en de niet-Karl May-film (maar wel met Pierre Brice en Lex Barker) Die Hölle von Manitoba „A Place called Glory”; alleen „The Treasure of Silver Lake” lijkt qua naam tenminste op het Duitse origineel. De kans ten slotte dat er anno 1987 überhaupt Amerikaanse films in Weimar (eveneens in de DDR, Bezirk Erfurt) werden vertoond, is verwaarloosbaar klein.



Terug naar de Nederlandstalige bibliografie.

Terug naar de Karl May-startpagina.

Terug naar de Apriana-startpagina.