De onbekende gevangene

door K.L. Poll 1


TRANEN zijn een teken van zwakte en van gevoeligheid. In het oog van de wereld wil een mens graag doorgaan voor sterk, en ook voor gevoelig. Het een en het ander. Tranen brengen ons daardoor in verlegenheid. Zij pleiten voor en tegen ons. Zodra het maar even kan, proberen wij door onze tranen heen te lachen, ter verontschuldiging.
In haar Biografische Aantekeningen over Herman Gorter schrijft Henriette Roland Holst:
„Gorters voorlezen van zijn eigen verzen is voor mij onvergetelijk. Hij las uiterst eenvoudig, zonder enig pathos, en zonder sterke accentuering, hetzij van ritme of inhoud, maar met een diepe innerlijke bewogenheid, die zijn stem trillen deed. Wat hij las leefde altijd nog min of meer binnen de sfeer zijner innerlijkheid, het maakte nog deel uit van zijn wezen. Haast altijd kwam er een ogenblik, waarop zijn aandoening hem te machtig werd: zijn ogen schoten vol tranen, zijn stem brak; hij moest het opgeven. Dan zette hij zijn lorgnet af, veegde de glazen schoon, maakte een grapje en ging weer door.”
Wat moeten wij daarvan denken? Henriette Roland Holst vertelt liefdevol over Gorter. Een ander hoeft dezelfde herinnering maar in iets andere bewoordingen te beschrijven en het beeld van de dichter die haast altijd moest huilen als hij zijn eigen gedichten voorlas, komt er lachwekkend uit te zien.
Herman Gorter: Neen en Ja — zo noemde Jacques de Kadt zijn verzameling opstellen over Gorter. Neen en Ja: dat zal steeds weer de conclusie moeten blijven, na iedere poging om tranen te rechtvaardigen of uit te bannen. Wie huilt, geeft zich over, laat zich gaan, verliest de beheersing over zichzelf. „Neen” dus, dat moet niet. Beschaving is zelfdiscipline. We behoren onze tranen terug te dringen.
Maar ook: in al die uitdrukkingen, zoals zich overgeven, zich laten gaan, is er blijkbaar iets met een “zich” aan de hand, met dat geheime monster of die geheime engel in een kooi die wij in het normale leven voor andermans blikken verborgen houden. Waarom doen we dat eigenlijk? Wie nooit huilt is een ijzeren hein – een mens zonder ziel, zonder dat kwetsbare, wilde “zich”, dat zo nu en dan moet mogen uitbreken, in woede of in tranen. „Ja” dus. Wie niet huilen wil, is koud en onmenselijk.

De waardering gaat op en neer. Dat geldt ook voor de tranen van de verbeelding. Nee, zo is het niet, zegt mijn bewakers-ik. In tranen zitten altijd elementen van zelfmedelijden en gemakzucht. Het kritische vermogen kan niet meer behoorlijk functioneren. Het is niet voor niets dat bij huilen ook de stem dienst weigert. Het dichterlijke floers van tranen is symbolisch: het zicht op de buitenwereld wordt onscherp. Wie huilt, geeft op. Hij laat zijn weerstand breken. Hij krimpt ineen. Hij levert zich uit aan de gulzige blikken van zijn onbewogen medemensen. Hij hoereert met een wildvreemde buitenwacht.
Bij een groot verlies in het persoonlijk leven, of bij een groot overrompelend geluk, is die nederlaag van de zelfbeheersing nog te begrijpen en te verontschuldigen. Hoewel, ook dan kan het anders – de ware individuele soevereiniteit probeert zich zo lang mogelijk smetteloos, met opgeheven hoofd, staande te houden. Een stevig gebouwd mens is zelfs bij de grootste tegenspoed en de grootste weldaad te trots om zich te verliezen in een gevoel van onmacht.
Bij de kunst is er in het geheel geen excuus. De kunsten – die de vormen van het gewone leven niet alleen nabootsen, maar ook stileren, opnieuw rangschikken, zin geven – zijn bij uitstek de leerschool voor zelfbeheersing.
Als iemand daar zijn tranen al niet de baas is, valt er in de ruwe, ongepolijste werkelijkheid zeker niets te verwachten van zijn weerstandsvermogen.
Goede kunstenaars doen trouwens nooit een beroep op tranen. Die houden zich op beslissende momenten in en zij verwachten dat ook van hun publiek.

NEEM Winnetou’s dood, het klassieke voorbeeld van een sentimenteel jongensboek. Karl May beschrijft in zijn Winnetou-serie de ene moord, overval, marteling en schurkenstreek na de andere en daardoorheen laat hij steeds, heel hemels en schijnheilig, het refrein klinken van de Christelijke naastenliefde. Hij kijkt neer op vrouwen en, als het er op aankomt, ook op indianen, en hij heeft de mooiste rol, die van Old Shatterhand, voor zichzelf gereserveerd – Schar-lih is Charlie is Karl. Hij nodigt iedere schooljongen uit zich te vereenzelvigen met de blanke held die zijn slachtoffers met ιιn vuistslag bewusteloos slaat. Luister maar eens naar de sterfscθne van Winnetou.

Winnetou, het opperhoofd der Apache-indianen, heeft een voorgevoel van zijn dood en hij zegt tegen Old Shatterhand:
– Als ik gestorven ben, moet je naar het graf van mijn vader gaan en aan de westzijde daarvan moet je graven. Dan zal je het testament van Winnetou vinden. Ik heb mijn wensen daarin uitgesproken en jij moet ze vervullen.
– Je woord is mij heilig, zei ik met tranen in de ogen, je wensen zullen vervuld worden.
– Ik dank je. Nu zijn wij klaar. Wij moeten nu met de aanval beginnen. Ik zal de strijd niet overleven. Laat ons nu afscheid nemen. Ik hoop lieve Schar-lih, dat de grote Manitou je vergelden zal, wat je voor mij geweest bent. Laat ons niet sentimenteel worden, want wij zijn mannen”.
Even later raakt Winnetou gewond en hij vraagt aan een groepje Duitse steenhouwers – die Old Shatterhand en hij kort daarvoor hebben bevrijd – het Ave Maria te zingen, een compositie van Karl May zelf.
„Toen de laatste toon verklonken was, wilde hij spreken, doch het ging niet meer. Ik bracht mijn oor vlak bij zijn mond en hij fluisterde:
– Schar-lih, ik geloof aan de Heiland, Winnetou is een Christen! Vaarwel!
De greep van zijn handen werd minder, er liep een siddering door zijn lichaam – hij was dood”.

MIJN tegen-ik verzet zich. Ik zie de gebreken ook wel, maar ik wantrouw de scepsis, de goede smaak die niets meer van Karl May wil weten. Ik was als jongen verslaafd aan deze boeken, ik heb ze allemaal vier, vijf keer gelezen – en nu weer, ik lees ze nog altijd zonder de verveling, de kritiek en de tegenzin, die ik meestal bij een verplicht boek voel opkomen. Mijn ogen prikten weer bij Winnetou’s dood, ik kan het niet helpen, en ik neem liever mijn sentimentaliteit op de koop toe dan dat ik nu mijn lezerstranen verloochen. Bovendien, wie zegt dat kunst alleen maar een leerschool voor zelfbeheersing zou zijn? Kunstwerken zijn oefenplaatsen voor alle emoties, van de hoogste verrukking tot de diepste vertwijfeling.
Natuurlijk zijn zulke helden als Winnetou en Old Shatterhand, of zulke boeven als Santer en Dan Etters, te goed en te slecht, dat wil zeggen te simpel, om waar te zijn. Dat geldt voor iedere heilige en iedere duivel, voor ieder geloof in heiligen en duivels. Maar wie steeds weer denkt in de richting van de middenweg, wie zichzelf dag en nacht maant tot relativering, verliest voor hij het weet zijn zintuig voor het gelukzalige en het rampzalige. Hij versteent voortijdig. Neen en Ja.


[1]In: NRC Handelsblad, 23 juli 1982.



Terug naar de Nederlandstalige bibliografie.

Terug naar de Karl May-startpagina.

Terug naar de Apriana-startpagina.