Prille leeservaringen – Winnetou dood

door Willem Kuipers 1


De verantwoorde jeugdboeken die ik las droegen titels als De lemen wand en Ten dage als ik riep... Ze kwamen uit de kantoorboekhandel annex leenbibliotheek van mevrouw Scheers op het Ledig Erf.
„Prachtboeken mevrouw,” zei ze tegen mijn moeder terwijl haar onderkin heftig meetrilde, „prachtboeken.”
Het waren sombere boeken zonder een greintje levensvreugde waarin de straffende hand van God op iedere pagina voelbaar was. Ik besloot dan ook, naarmate mijn weerzin groeide, mijn moeder die als Duitse een onschuldig lam was in de Nederlandse cultuur, een beetje te helpen. Driftig meesnuffelend prees ik haar de prachtige boeken over de boerenoorlog aan. Dat was lezen! Hoe die zoeloes met hun assegaaien de Engelsen afmaakten.... Zo ontdekte ik ook een verborgen schat. Mevrouw Scheers had een ongelooflijke voorraad Karl Mays, niet alleen die over Winnetou en Old Shatterhand, ook die over Kara ben Nemsi en de Mays die in Duitsland spelen. In een van die laatste boeken kreeg ik voor het eerst van mijn leven te maken met een lynx (&3132;kwastjes aan de oren”), en voor mij moest als we voetbalden op straat de keeper niet langer „zwarte panter” heten, maar „lynx” wat pas echt gevaarlijk klonk. Maar de keeper wou niet.
Intussen waren we Winnetou en Old Shatterhand als we speelden bij de gevangenis en het kerkhof, die onze buurt de benaming „het luie end” hadden bezorgd („aan de ene kant liggen ze, aan de andere kant zitten ze”). De dreigende gevangenis waren we ons voortdurend bewust. Soms ontsnapte er iemand met aan elkaar geknoopt beddegoed. Dat zorgde voor opwinding en de moeders riepen hun kinderen binnen. Wij wisten dat we niets hoefden te vrezen want de boeven schoten steevast aan de overkant van de straat het kerkhof op, waar ze onder de iepen, eiken, kastanjes en platanen, en achter een weelde van heesters en grafzerken schuilgingen.
Wij waren als de dood voor het kerkhof. Zelfs het water van de sloot die erlangs liep vertrouwden we niet, omdat we geloofden dat het vol lijkenvocht zat. Als er een voetbal inrolde durfden we hem er niet uit te halen. Behalve Epie, maar die zat op worstelen. Hij was ook de enige die niet bang was voor de jongens in de schuitjes – totaal verkommerde ingezetenen van de stad die op wrakken van woonboten huisden in De Kromme Rijn. Als we voorbij wilden gooiden ze met stenen of scholden ons uit. In het gezicht van onze zusjes met pijpekrullen lieten ze hun broek zakken.
Uitzinnige vreugde als je scoorde, net in de bovenhoek, of Winnetou was, maar nog meer angst, angst voor Gerrit de Stotteraar, angst voor het kerkhof, angst voor de schoffies in de schuiten. Alleen als je las was je veilig. Temeer omdat mijn moeder genadiglijk toestond dat dit gebeurde in de „voorkamer” die gestoffeerd was met fauteuils, waarin je behaaglijk neer kon zinken.
Toen ik eenmaal mevrouw Scheers haar bibliotheek had leeggelezen, ontdekte ik dat je ook boeken kon kopen. In een boekwinkel op de Oude Gracht zag ik plotseling dikke, gebonden Karl Mays met een gekleurde indiaan voorop. Ongekend was mijn geluk toen ik me voor het eerst zo’n boek mocht aanschaffen. „Hier heb je vijf gulden.” In de loop van de jaren kocht ik ze allemaal, op één na: Winnetou’s dood. Ik durfde niet, maar toen ik alles van Karl May had gelezen, was er geen uitweg meer. Op een zaterdag kreeg ik weer vijf gulden en ik ging erop af. Enige uren later had ik het boek uit. Ik moet uren in de voorkamer hebben gezeten. Ik was niet bij machte me te verroeren. Een week lang, heb ik het gevoel, is er helemaal niets tot me doorgedrongen. Ik heb niet gevoetbald. Ik ging automatisch naar school. Winnetou was dood! Die zwijgende, nobele... die, ja wat eigenlijk, man, kameraad, dat stuk van jezelf was dood. Ik zag de wereld door een mist van tranen.
En toen het over was wist ik dat er voor altijd iets veranderd was. We speelden geen indiaantje meer. De sloot langs het kerkhof werd gedempt. De schuiten werden tot buiten de stad versleept. De gevangenis werd een psychiatrische kliniek.


Winnetou te paard




[1]In: De Volkskrant, 27 september 1980.



Terug naar de Nederlandstalige bibliografie.

Terug naar de Karl May-startpagina.

Terug naar de Apriana-startpagina.