Medicijnman Selo Black Crow
’t Is nog niet te laat voor de Indianen

door Bert Bommels 1


ROTTERDAM – Een Indanenverhaal uit Rotterdam. Vanavond zal het in uitgebreidere versie nog eens worden naverteld in Amsterdam, in het gebouw van de Vrije Universiteit aan de Keizersgracht 489. En dan door Selo Black Crow zelf, geestelijk leider en medicijnman van de 11.000 leden tellende Oglala uit het Pine Ridge reservaat in de Amerikaanse staat Zuid-Dakota.

De Indiaan maakt een toernee door Europa om aandacht te vragen voor de noden van de oorspronkelijke bewoners van de Verenigde Staten en hun strijd tegen de westerse „beschaving”, die hen terugdrong in „natuurparken-voor-mensen”.

We ontmoeten Selo in de wetenschappelijke boekhandel Belrose aan de Rotterdamse Mauritsweg. Een deel van de winkel is drie weken lang expositieruimte voor „De Indiaan in woord en beeld”.
Er hangen schilderijen van krijgers van verschillende stammen: Apaches, Zwartvoet-indianen en Iroquiz, Eskimo”s, Sioux en andere roodhuiden, zoals blanken de autochtonen van het westelijk halfrond plegen te noemen. De schilderijen zijn afkomstig van het Westduitse Karl May Verlag, de uitgeverij van de boeken over Winnetou en Old Shatterhand. De opbrengsten uit de serie spannende maar werkelijkheid-vervalsende kunnen kennelijk lijden dat er ook iets wordt gedaan aan een meer waarheidsgetrouw beeld van de Indiaanse cultuur. Verder in boekhandel Belrose vitrines vol kunst- en siervoorwerpen: wandkleden, moccasins, poncho’s, tomahawks, sieraden, potterie en pijpen. Verder uiteraard boeken, honderden. En nu eens niet over roodhuiden die zich in krijgsuitrusting op pioniers in de prairie storten maar juist over de verovering en overheersing van het Indiaanse land door de „witman”, over de erbarmelijke omstandigheden waarin de Indiaan van deze tijd soms leeft. En over het boeiende denken en cultuurpatroon van een volk dat zich intens verbonden voelt met Moeder Aarde en alles wat daaruit ontspruit.


Medicijnman Selo Black Crow en zijn vrouw Dorothy.

Stichting

Selo Black Crow wordt aan ons voorgesteld door Maria van Kints, een 64-jarige Rotterdamse, voorzitster van de 500 leden tellende Nanaistichting, een Nederlandse actiegroep, die zich het lot van de Noordamerikaanse Indianen aantrekt, daarover publiceert en geld inzamelt voor materiële hulp.

Mevrouw Van Kints is als een moeder voor Selo. Ze verleent de Indiaanse medicijnman en zijn kleine gevolg onderdak en draagt fors bij in de regie van de gesprekken met journalisten, die komen en gaan bij Belrose om de man uit het Pine Ridge reservaat te ontmoeten. „Nee, alsjeblieft géén foto voor de boeken van Karl May,” zegt ze tegen een fotograaf, die dat wel een leuke kiek vind. „Er zijn al genoeg sprookjes over Indianen geschreven. Daar hoeft niet nog eens de nadruk op.”
Selo betekent in het Lakota, de taal van de Oglala Sioux, „Hij die veel wil leren”. Black Crow is Engels voor de familienaam „Zwarte Kraai”.
De confrontatie met de medicijnman stelt niet teleur. Zo Selo zich er voor zou lenen, zou hij zonder een spatje smink of verandering van haardracht als opperhoofd kunnen worden opgenomen in een cast voor een spannend prairiefilmverhaal. Indiaanser kan het niet: een doorploegd gelaat met brede neus en diepliggende ogen die vaak langs je heen, een denkbeeldige horizon afturen. Een kleine, tanige man van 45, gekleed in vale jeans en een paars shirt, waaroverheen enkele bontgekleurde versierselen, die passen bij zijn waardigheid, zoals een strook van bizonhuid, waarop spiegeltjes, bedoeld om zonnestralen op te vangen en daardoor contact te maken met de bol die alle leven kracht geeft. In het dofzwarte haar, dat in vlechten op de schouders valt, één adelaarsveer, die uitdrukt dat de drager door zijn eigen volk wordt gezien als een man die betekenisvolle visioenen heeft. Selo zag de beelden al op zijn zevende.

Verhaal

Het verhaal van Selo is niet nieuw maar het blijft indrukwekkend en het stemt somber over de westerse cultuur, die als een wals zeden en gewoonten van minderheden dreigt plat te drukken. Spoorwegen boortorens en chemische bedrijven rukken op tegen en binnen de grenzen van de reservaten, waar de ongeveer een miljoen Noordamerikaanse Indianen hun leefpatroon in stand proberen te houden. Mensen die zich voeden met hamburgers en Coke en zich omhangen met kleuren camera’s en in erger geval met automatische wapens, dringen de laatste gebieden binnen, waar de Indianen in de zomer hun vierdaagse zonnedans uitvoeren en de aarde aanbidden.
Lang hebben de melancholieke Indianen het allemaal over zich heen laten gaan maar de laatste jaren is hun zelfbewustzijn weer gegroeid. „We zijn nog met genoeg om terug te krabbelen. Het is nog niet te laat”, zegt Selo. „Het Indiaanse leven is mooi. Steeds meer mensen gaan dat inzien”. Hij verhaalt over geassimileerde Indianen, die van de ene dag op de andere de burgermaatschappij verlieten en terugkeerden naar een leven van eenvoudig geluk in gemeenschappen met minimale behoeften, zónder elektriciteit en water uit een kraan.

Getuigen

„Ons aantal groeit weer. De leefwijze verbonden met de natuur wint veld,” zegt Selo. ”Maar het geeft weerstanden bij de overheid, die van alle Indianen gewone Amerikaanse staatsburgers wil maken. Die weerstand leidt helaas tot strijd. Van onze kant moet die naar mijn mening niet met de wapens maar met onze sterke geest worden gevoerd. Daarom pak ik iedere gelegenheid aan om te getuigen, om óp te komen voor mijn volk. Helaas maakt ook die strijdwijze je in een land als Amerika verdacht”.
De verhalen komen los, van Wounded Knee in 1973 en van de vorig jaar gehouden bezetting van VN-kantoren in New York en Genève. In het dorpje Wounded Knee, dat symbool is geworden voor de strijd van de Indianen, haalden medicijnmannen met mesjes kogels uit lichamen van gewonden, die op last van het gouvernementele gezag waren afgevuurd op mensen wier voorouders rond de eeuwwisseling op dezelfde plek door het leger waren afgeslacht.
Volgens Selo hebben de autoriteiten niet veel geleerd van twee maal Wounded Knee. Hij toont foto’s van een overval vorig jaar op zijn land. Veertig FBI-agenten met geweren daalden er toen met helicopters neer op zoek naar Indiaanse leiders. ”Ik heb hun loop op mijn borst gehad,” zegt Selo. „En ze staken met hun geweren dwars door de wanden van mijn zweethut”.

Terug

Op zijn stuk land van 30 ha. houdt Selo bisons en paarden en hij heeft er een opvangcentrum georganiseerd voor Indiaanse wezen en jeugdigen die uit de gevangenis komen. „Als ze terug willen naar het Indiaanse leven zonder wapens, alcohol en drugs zijn ze welkom,” zegt Selo.

Krijger

De medicijnman torst op zijn tournee een koffer vol propagandamateriaal mee. Een van de prospectussen vertelt iets over hemzelf. Hij is onder meer paratrooper geweest in de Koreaanse oorlog. We zijn verbaasd. Hoe kan hij dat nou rijmen met zijn filosofie over een vredig leven met gave mensen onder elkaar?

Selo’s vrouw Dorothy, gedurende het gesprek steeds op de achtergrond, springt bij: „Ik kan me voorstellen dat dit vreemd overkomt maar om het te begrijpen moet men meer inzicht hebben in de Indiaanse denktrant. Selo had in die jaren juist twee neven verloren en wilde zich als krijger revancheren. Hij wilde niet levend uit Korea terugkeren. Maar hij overleefde de oorlog. Gelukkig maar”. En ze grijpt haar medicijnman teder bij de arm.

Ruim een jaar geleden zijn ze getrouwd. Selo en Dorothy, een 43-jarige letterkundige, die haar lange haren meisjesachtig in twee staarten draagt. Selo zegt: „Mijn huwelijk met Dorothy bewijst dat ik geen racist ben. Ik ben een volbloed Indiaan. Zij is een volbloed witvrouw”.

Verdragen

Selo komt tot zijn boodschap. Hij is bezorgd over het voornemen van de Amerikaanse overheid om de verdragen met Indiaanse gemeenschappen over bepaalde privileges (eigen gebieden, eigen bestuur, eigen rechtspraak) op te zeggen of verder te beperken. De Noordamerikaanse Indianen en hun medestanders bereiden een massaal protest voor. Enkele weken geleden is aan de westkust een voettocht van start gegaan die dwars door de Verenigde Staten naar Washington moet leiden. De stoet groeit gestaag aan. In september wordt ze bij het Witte Huis verwacht, waar tegen die tijd dan ook zakken vol protestbrieven moeten zijn bezorgd”. Iedereen kan aan de brievenactie meedoen,” aldus mevrouw Kints van de Nederlandse Nanai-stichting (tel. 010-209844).

We nemen afscheid van medicijnman Selo Zwarte Kraai. Hij houdt de uitgestoken hand even langer vast en zegt: „Je hoeft geen Indiaan te zijn om tot het besef te komen dat we op een heilloze weg zijn met een hebzuchtige vooruitgang, exploitatie van de bodem en destructie van de natuur. Het leven kan zo mooi zijn maar daarvoor is het nodig de Schepper te eerbiedigen en terug te keren naar een sober leven in de natuur”.


[1]In: Het Parool, 8 maart 1978.



Terug naar de Nederlandstalige bibliografie.

Terug naar de Karl May-startpagina.

Terug naar de Apriana-startpagina.