Tunesië buiten het seizoen : een goed reisland

door F. den Houter (red.) 1



[…]

Zoutmeren

Wat een oase is, kan men eigenlijk pas begrijpen, wanneer men eindeloze woestijnkilometers heeft afgehobbeld en ten slotte niet meer gelooft dat er ooit een einde aan de rit zal komen. En dan ineens belandt men bij een vruchtbare plek met palmen rondom een bron, groentetuinen en een met riet omzoomd meertje. Men staat verbaasd, hoewel men wist dat het komen zou.
Wie Tozeur heeft bezocht, mag Nefta niet overslaan. De afstand is trouwens maar een 25 kilometer. Daar gaat men naar de Belvédère, waar op een terrasje pepermuntthee wordt geschonken en men genieten kan van een exotisch panorama: vierhonderdduizend palmbomen, samengedrongen rondom beekjes, die diepgroen van kleur zijn. En in de verte glinstert het grote zoutmeer Chott El Djerid. Het kan, wanneer het is drooggevallen, worden doorkruist (tot aan begin november).
Tot aan de regentijd is het een vlakte van gekleurd zand met een zoutkorst. Een beetje regen maakt het al meteen tot een gevaarlijk zoutmoeras 2.
Afgezien van het Chott is het Zuiden van Tunesië goed te bereizen, behalve in de heetste maanden, met stops in oasen, waar men de dadels van de boom kan kopen (Tozeur en Nefta hebben de beste).
Het overnachten gebeurt in hotels, in verbouwde karavanserails, in ghorfa’s (Medine) of in een holenhotel, zoals dat in Matmata.
Per auto het Zuiden doorkruisen is een moeizame zaak, maar men krijgt unieke beelden te zien. Massaal toerisme is er nog niet, maar de ruimte voor de individualist wordt toch snel kleiner.
De rand van de Sahara is komend jaar al per straalvliegtuig te bereiken. Men bouwt namelijk bij de oase Tozeur een internationaal vliegveld, dat in dit voorjaar klaar moet zijn. Karl May zou zich ongelovig de ogen uitwrijven, wanneer hij het zou zien maar echt: het is geen fata morgana.


[1]In: NRC Handelsblad, 6 december 1977.
[2]Ha! Hebben we hier eindelijk een aanknopingspunt betreffende de datering van de „Oriënt-cyclus” (Prisma-pockets 16 t/m 21, Gesammelte Werke, Band 1 t/m 6)? De passage op de Chott El Djerid (Schott El Dscherid) moet zich dan aan begin of het eind van de Tunesische regentijd (november-april) afspelen: er staat nergens dat Kara Ben Nemsi en Hadschi Halef Omar veel last hebben van de hitte, maar wel dat het zoutmeer redelijk begaanbaar is, maar dat er ook plekken zijn waar je beter niet kunt lopen of rijden, dus ik gok op het begin van de regentijd. Dat kan aardig kloppen, want eenmaal in Kertassi aangekomen (hoofdstuk 4 van „Durch die Wüste”, GW 1), staat duidelijk te lezen dat Kara en Halef wél last hebben van de hitte.
De afstand Kbilli via de Koefra-oase en Caïro naar Kertassi bedraagt om en nabij de 4000 kilometer. Een karavaan dromedarissen legt gemiddeld zo’n 3½ kilometer per uur af, hetgeen neerkomt op een tocht van 1143 uur. Er gemakshalve van uitgaande dat een karavaan 10 uur per dag onderweg is, komen we dus op ongeveer 114 dagen; een oponthoud of rustpauze in Koefra wordt niet vermeld, maar zal ongetwijfeld een paar dagen hebben geduurd, en na een wel – terloops – vermeld oponthoud in Caïro arriveren Kara en Halef in april of mei in Kertassi, waar het dan al behoorlijk warm kan zijn; we krijgen ook niet de indruk dat het avontuur met Abrahim Mamur en Senitza vlak na hun aankomst in Kertassi plaatsvindt, integendeel.



Terug naar de Nederlandstalige bibliografie.

Terug naar de Karl May-startpagina.

Terug naar de Apriana-startpagina.