Kara Ben Nemsi, of het evangeliseren met de vuist

door Peter van Eeten 1


Van 10 juli tot 22 augustus wordt in Bad Segeberg bij Lübeck een merkwaardig festival gehouden: de Karl May Festspiele. Wie dweept met Winnetou, de beroemdste van alle Indianen, kan er elk weekeinde een toneelbewerking zien van de bekendste twee of drie Old-Shatterhandromans. Het is een van de bewijzen van de onsterfelijkheid van een auteur die, hoewel hij literair meestal niet hoog wordt aangeslagen, tot op de huidige dag (hij leefde van 1842 tot 1912) herdruk op herdruk beleeft. Een van degenen die hem in zijn jeugd las was onze redacteur Peter van Eeten, die in dit artikel in onze reeks Klassieken bekennen moet dat May 35 jaar later nog altijd meeslepend is, al heeft hij heel wat aspecten die kritisch stemmen.

Alle jeugdsentiment dat betrekking heeft op een datum na 1 januari 1950 is aanstellerij, maar gelukkig werd ik deze maand drieënveertig, en ik vind dus dat mij er, mits met mate genoten, af en toe iets van is toegestaan. Het gaat immers terug tot het begin van de jaren veertig, toen een tante in een vrijgevige bui me een dik boek in een mooie linnen band cadeau deed, dat jarenlang tot mijn weinige grote schatten hoorde.
Het heette Het geheim van de witte bison, en het was van Karl May. Het moet de vertaling geweest zijn van zijn roman Unter Geiern; in de nieuwe „standaardvertaling” van Mays werken, in vijftig delen sinds 1962 verschenen bij Het Spectrum, heet het veel minder mooi De zoon van de berejager, naar een van de nevenfiguren.
Met Pinksteren zag ik dat Spectrumdeeltje, samen met De schat in het Zilvermeer, in de boekenkast van mijn moeder, en ik nam het mee om te zien hoeveel er na al die jaren van de idolen van weleer was overgebleven. Dat viel mee en tegen, maar in ieder geval was het zoveel dat ik besloot me nu te veroorloven wat ik vroeger (we hadden het thuis niet al te breed) nooit kon: al die boeken zelf bezitten.
Informatie bij de boekhandel leerde me dat de editie van het Spectrum nog altijd voorradig was, en toen ik de vierentwintig eerste delen in handen had, de Amerikaanse en de Oosterse avonturen, ontdekte ik iets wat ik, ruim 60 jaar na de dood van de schrijver, niet verwacht had. De beroemdste romans van May, de twaalf over Winnetou en Old-Shatterhand, zijn sinds 1962 bezig aan hun negende a elfde druk.

Onsterfelijk

Met zijn literaire deugden en gebreken mogen we May dus gerust tot de klassieken rekenen, en wie dat te ver vindt gaan, zal op zijn minst moeten toegeven dat hij iets onsterfelijks heeft. Zijn kwaliteiten zijn trouwens even evident als het feit dat hij te veel geschreven heeft. Kennelijk kon de man het niet laten succesrijke formules telkens opnieuw te gebruiken; er zijn allerlei situaties die in opeenvolgende boeken bijna identiek terugkeren, zodat het soms lijkt of de auteur met sjablones werkte: alweer een neger die in een boom klimt uit angst voor een grizzlybeer, en alweer een cactusbrand om regen te maken.
Sterker nog dan bij situaties en gebeurtenissen komt dat tot uiting bij de beschrijving en typering van de personages in zijn boeken. Is een prairiejager eenmaal gepresenteerd (bijna altijd ziet hij er nogal komisch uit) dan verandert hij niet of nauwelijks meer, uiterlijk zomin als innerlijk. Hij praat altijd op dezelfde manier, en handelt telkens weer even stereotiep. Van psychologie heeft May niet of nauwelijks kaas gegeten, en aan niemand is dat beter te demonstreren dan aan de hoofdfiguur zelf: Old-Shatterhand alias Kara Ben Nemsi, dat is Karl May zelf in de mythologische droomgestalte waarin hij Indianen, Arabieren of Turken om het even verbaast.

Winnetou laat ik verder in zijn wigwam, om Mays deugden en gebreken te demonstreren aan een van zijn merkwaardigste scheppingen, de grote zesdelige episodenroman die onder Arabieren en Turken speelt, en waarin de schrijver optreedt als Kara Ben Nemsi. Het zijn de delen 16 tot en met 21 van de Spectrumeditie: Kara Ben Nemsi, de held uit de woestijn; Door het woeste Koerdistan; Van Bagdag naar Istanboel; In de rotskloven van de Balkan; Door het land der Skipetaren en De bandiet der Albaanse bergen.

Eén roman

Een van de merkwaardigheden van deze cyclus van zes zit in de structuur: alle delen tellen zo’n 350 á 360 pagina’s, maar in wezen vormen ze éen reusachtige roman van zo’n 2200 bladzijden, een lange reisbeschrijving doorspekt met avonturen die, waarschijnlijk om commerciële redenen niet zelden precies in het midden afbreken, om in het volgende deel te worden voortgezet. Wie begint in deel 1 houdt zijn hart vast: de held, op reis met zijn ‘vriend en beschermer’ hadji Halef Omar, vindt een lijk ergens in Noord-Afrika, maakt een tocht over een zoutmeer in de Sahara waarbij zijn gids vermoord wordt, is vervolgens aan de Nijl, waar hij een geroofde maagd uit een harem bevrijdt, bezoekt de verboden stad Mekka,en het lijkt of alles als los woestijnzand aan elkaar hangt.

Er komen de nodige gevechten, altijd behoorlijk spannend, die worden afgewisseld met niet minder nodige komische episodes, waarin May niet zelden op zijn best is. We zien, vaak heel beeldend beschreven, een flink stuk van de Oriënt, maar lang lijkt het of het verloop alleen bepaald wordt door de voortgang van de paarden van de twee helden. Toch is dat maar schijn. Het eigenlijke verhaal (er is een staart van acht hoofdstukken, die drie jaar later spelen) eindigt op bladzij 220 van deel 6, en het lijk in Afrika en de moord op het zoutmeer zijn naar behoren in het slot geïntegreerd. De hele cyclus, in feite de achtervolging en vernietiging van een grote misdadigersbende, wordt sterker naarmate dat slot nadert, en de twee laatste delen zijn een meesterstuk in het genre, een waar kluwen van wederzijdse achtervolgingen, gevangennemingen en ontsnappingen, dat culmineert in een ijselijke dodensprong van de held op zijn Arabische hengst over een vijf meter breed ravijn, waar zijn vijand de Zjoet, een perfide Perzische bendeleider, vervolgens instort.


In het Karl-Maymuseum in het Oostduitse Radebeul worden
de drie beroemdste wapens uit Mays boeken bewaard:

de beredoder van Old Shatterhand, Winnetous
zilverbuks en de Henrybuks met de vijfentwintig schoten.

Schelmenverhaal

Kara Ben Nemsi heeft daarna even gelegenheid een blik in het eigen innerlijk te werpen, waarbij hij ziet dat de mens niets is dan „een broos omhulsel, vol zwakheden, fouten en – hoogmoed”. Die laatste eigenschap is inderdaad in dit geval niet denkbeeldig, want een ongeloofwaardiger figuur dan deze Kara Ben Nemsi bestaat er niet – of het moest Old Shatterhand zijn.
De zesdelige cyclus is eigenlijk een schelmenroman, met als hoofdpersoon een superschelm die alle andere de baas is. Er is geen wapen dat hij niet feilloos hanteert, ook al heeft hij het voor het allereerst in de vuist, en als ze hem eens een enkele keer allemaal ontvallen, klaart hij het met die vuist alleen. In vaardigheden als paardrijden en zwemmen is hij iedereen de baas. In alle wetenschappen is hij telkens zo onderlegd als de omstandigheden vereisen, en het is gewoon een wonder hem ergens te hóren bekennen dat hij maar twee of drie woorden Albaans kent.
Want zijn Arabisch is zo goed dat iedereen hem voor een rasechte Arabier houdt, en hij dreunt de soeren van de Koran op alsof het zondagsschoolversjes waren. Met het Turks heeft hij al even weinig moeite, en ontmoet hij een Pers, een Servokroaat of een Roemeen dan begroet hij ze doodleuk in hun eigen taal. In drie weken leert hij voldoende Koerdisch om zich redelijk verstaanbaar te maken, en uit de Old-Shatterhandboeken weten we dat hij verscheiden Indianentalen spreekt, en een aardig woordje Chinees.

Evangelisatie

Niettemin rijdt hij als een toonbeeld van nederigheid door de Oriënt: een eenvoudig arm schrijvertje dat stof opdoet voor zijn boeken. Er is eigenlijk niets waarop hij zich verheft, of het moest zijn geloof zijn. Een van de meest curieuze aspecten van de Kara-Ben-Nemsicyclus is dat het behalve een schelmenroman ook een evangelisatieroman is. De superheld met zijn beredoder en zijn Henrybuks en zijn ijzeren vuist, die dreunend neerkomt zonder te doden, is eigenlijk ook een heilige: de laatste apostel die op het pinksterfeest leerde spreken in vele tongen.
Tot Karl Mays eer moet gezegd worden dat hij niet zo verblind is door de voortreffelijkheden van zijn geloof dat hij de deugden van andere religies niet ziet. De Islam is bij hem niet verachtelijk, alleen maar minder voortreffelijk dan zijn eigen christendom. De cyclus begint met een gesprek tussen de held en zijn begeleider hadji Halef Omar, waarin deze kleine islamiet, een van de mooiste creaties van Mays pen, zijn ‘effendi’ wil bekeren. Op de laatste bladzijde bekent Halef: „Sihdi, ik ben erg dom geweest u kost wat kost te willen bekeren, want uw leer is veel beter dan de mijne.”
Bijna alle romans van May hebben een opvallende homo-erotische ondertoon. Vrouwen komen er zelden in voor in belangrijke rollen, maar gebeurt het een enkele keer toch, dan hebben we tien tegen een met een christin te maken, met de afglans van het heilige op het gelaat.
Met een zo’n vrouw, de oude vorstin Marah Doerimeh, heeft de held een gesprek in het laatste hoofdstuk van Door het woeste Koerdistan. Hij zegt: „God nu geeft aan de mensen verschillende gaven. Aan de ene schenkt Hij het alles veroverende woord en aan de ander beveelt Hij op een andere wijze te werken. Mij is de gave van het woord ontzegd. Daarom vind ik geen rust in mijn vaderland. Ik moet er altijd weer op uit om te prediken, niet met het woord, maar dood mijn daden, opdat ik een ieder bij wie ik kom van nut ben. Ik ben bij volken en in landen geweest, waar u de naam zelfs niet van kent. Bij allen heb ik liefde en barmhartigheid gezaaid. En altijd voelde ik mij rijkelijk beloond als na mijn vertrek de woorden weerklonken: ‘Die vreemdeling kende geen vrees. Hij kon en wist meer dan wij en toch was hij en vriend voor ons. Hij had eerbied voor onze god en hield van ons. Wij zullen hem nooit vergeten, want hij was een goed mens en een trouwe kameraad; hij was – een christen!”
Evangeliseren met de vuist dus, en wie er een prachtig voorbeeld van wil zien, mag niet verzuimen het tweede deel te lezen van De bandiet der Albaanse bergen. Het heet De wraak van de prediker, en is oorspronkelijk een apart boek 2. Er wordt in verteld hoe een paar sjeiks door een mengeling van geweld, list en edelmoedigheid tot het ware geloof worden bekeerd. Eigenlijk is het weer niet anders dan een vrome schelmenstreek waarbij gespeculeerd wordt op de naıviteit van de tegenstanders.

Old Surehand

Het gekke is dat, hoewel ik deze evangeliserende May verfoei, zijn verhalen me toch meeslepen. Het sterkste voorbeeld daarvan zijn de twee Old-Surehandromans, De oase van de Llano Estacado en Het geheim van Old Surehand. Vooral in het tweede gaat de schrijver zich onophoudelijk te buiten aan theologische bespiegelingen, en het voorlaatst hoofdstuk, De dood van Old Wabble, is het schoolvoorbeeld van een gruwelijke bekering in extremis, druipend van sentiment. Als dan in het laatste hoofdstuk de onboetvaardige zondaar kermend en krijsend sterft onder een verpletterend rotsblok, is de maat volk, maar toch blijft Het geheim van Old Surehand voor mij een van Mays knapste en vooral spannendste boeken.
Hij weet hier een intrige te verzinnen die een detectiveschrijver waardig is, en als humoristisch en beeldend verteller is hij op zijn best. Zelf heeft hij waarschijnlijk zijn werk het meest gewaardeerd om de christelijke en humane strekking, maar wat vooral levend is gebleven is zijn enigszins simplistische vertellersgave, die zelfs de aandacht gevangen weet te houden als hij zich voor de zoveelste keer herhaalt.


[1]In: NRC Handelsblad, 16 juli 1976.
[2]Nee! Het verhaal maakt in de Gesammelte Werke onderdeel uit van deel 18, „Im Sudan” en is nooit als apart boek uitgegeven.



Terug naar de Nederlandstalige bibliografie.

Terug naar de Karl May-startpagina.

Terug naar de Apriana-startpagina.