Old Shatterhand

door Charles van Maurik 1


Zolang als ik mij kan herinneren, heeft lichamelijk geweld mij vervuld met gęne. Daarmee bedoel ik niet de doorsnee humanistische verlegenheid bij een vechtpartijtje, maar een levenslange aarzeling over de rapportcijfers van pacifisten versus die van vechtjassen. Een royale voorkeur voor vredelievend gedrag ligt voor de hand, en zou ook mij geen moeite kosten indien ik minder argwanend stond tegenover de trucjes van de menselijke geest.
Om precies te zijn: als iemand (Van Maurik bijvoorbeeld) een hautaine minachting koestert voor bruut geweld, wil ik best weten of hij op school goed was in gymnastiek. Zo simpel zijn die dingen, vrees ik. Omgekeerd ook: onder welke omstandigheden heeft de vechtjas zich zijn bekwaamheden eigen gemaakt? Het is een oud dilemma, dat op school epidemisch woekert, dan tot het veertigste jaar blijft smeulen om met het klimmen der jaren eindelijk onbelangrijk te worden. Dat dacht ik tenminste – tot het krantenbericht Bejaarde slaat rover naar buiten. Ieder die de eigen toch al nooit Olympische vermogens voelt afnemen, leest zo’n stukje met bijzondere aandacht. Ik ben voornemens het geheel voor u te citeren.
De 75-jarige J. van Rhee heeft woensdag twee jeugdige overvallers met de vuist de deur uitgewerkt. Hoewel hij in het gevecht een slag met een melkfles kreeg en een hoofdwond opliep, wist hij de strijd te winnen. De jongens hadden de man in zijn bedstee vastgebonden en gingen op zoek naar geld. Van Rhee, die als bijzonder sterk geldt, sloeg met enkele welgemikte vuistslagen de deuren van zijn bedstee aan flarden en trad de overvallers tegemoet.”
Daar is het dan weer, dat oude gevoel dat blijkbaar al die jaren geheel intact, om niet te zeggen kakelvers, op de plank heeft gelegen. De verbeten afgunst van het tienjarige jongetje dat de de complete werken van Karl May in de kast had staan en een Old Shatterhand wilde worden (het lijkt een soort pril racisme dat mijn vriendjes en ik ons nimmer identificeerden met Winnetou, maar dat terzijde); en dat in de zekerheid dat een dergelijke carričre tamelijk onwaarschijnlijk was voor een kandidaat die met de regelmaat van de klok op zijn lazer kreeg (zelfs van een jongen die een klas lager zat!). Sindsdien heb ik bijna onafgebroken vertoefd in kringen waar men om het recht van de sterkste beleefd glimlachte – maar immuun ben ik niet geworden, getuige mijn redeloze bewondering voor deze 75-jarige Old Shatterhand uit Elspeet.
Ook het gevoel, dat de bewondering op de hielen zit, komt mij uitermate bekend voor – soms vraag je je af waar je al die jaren mee bezig bent als zulke dingen toch onverwoestbaar zijn. Die tweede reactie is natuurlijk de rationalisatie. Ik zie moeder nog op de (te?) magere knieën zinken met in de ene hand een zakdoek voor mijn bloedneus, terwijl de andere hand geroutineerd afklopgebaren maakte. Ik moest mij er weer niets van aantrekken, ik moest maar denken dat die domme jongens zeker jaloers op me waren, en dat zulk ruw optreden heus niet iets was om trots op te zijn.
Als ik me niet vergis, trapte ik nooit helemaal in zulke troostwoorden – maar ik heb er wel de aarzeling aan overgehouden waarmee ik dit stuk begon. Het besef, dat het verschil tussen zinloos getreiter en heldendaden in het Wilde Westen niet absoluut is, maar gradueel: de vuistslag die de ene keer door zo’n Volkskrantcorrespondent opgetogen welgemikt” wordt genoemd, heet onder andere omstandigheden barbaars.
Over die omstandigheden bestaan afspraken, waar de publieke opinie meestal weinig moeite mee heeft. Wie zichzelf verdedigt zit goed, en zit nog beter naarmate de overmacht groter en de handen bloter zijn. En hoge ouderdom, anders niet zo’n privilege in onze samenleving, levert in dit geval ook opeens extra punten op. Kortom: leve de bejaarde van Elspeet. En ik vind ook – al houdt op het ogenblik niemand bij wijze van EHBO een koude sleutel in mijn nek – dat je op zulk optreden best trots mag zijn. Niet op de gewelddadigheid sec, maar wel op het vermogen het geweld onder de juiste omstandigheden voor het grijpen te hebben. Op een zo genuanceerd werkend instinct ben ik jaloers – maar de enige vuistslag van mij die je welgemikt kan noemen, belandde dan ook bij een vrouw (de mijne) tijdens een buitengewoon keurige cocktail party halverwege Afrika. Omstandigheden die mij het maximale aantal strafpunten opleverden, en die mij destijds in overweging gaven dat ik beter nog matiger in gymnastiek had kunnen zijn, dan had ik tenminste gemist. Dankzij de bejaarde van Elspeet weet ik, dat mijn afschuw van geweld (waarmee het vertrek uit Afrika gepaard ging) inmiddels weer gesleten is. Waarschijnlijk blijf ik eeuwig schommelen tussen de pacifist die niet tot boven in de touwen kon komen, en de Old Shatterhand die zich in het slachtoffer vergist. Goddank heb ik tenminste geen bedstee.


[1]In: NRC Handelsblad, 22 februari 1975.



Terug naar de Nederlandstalige bibliografie.

Terug naar de Karl May-startpagina.

Terug naar de Apriana-startpagina.