Geweermaker Gerard Segers: Jagen is luxe geworden

anoniem 1


Mister Henri en de geweermaker

Uit de tijd dat we met rode oortjes Karl May verslonden, hebben we een blijvende bewondering overgehouden voor het vak van geweermaker. Als de Henri-buks knalde en de gevaarlijkste stier uit de bison-kudde door de koelbloedige Old Shatterhand met een spervuur tot staan werd gedwongen, gingen onze gedachten uit naar de constructeur van het legendarische wapen. We zagen dan „Mister Henri”, de zonderlinge wapensmid, in zijn werkplaatsje vijlen aan een brok ijzer tot het een zuivere bol was geworden met 25 gaten, die met kogels gevuld perfect in het slot van de buks moest rondwentelen.

Het was moeilijk voor te stellen hoe zo’n mechaniek kon werken, want als de kogels met de punt naar voren in de bol werden gestopt, zouden ze door de draaiing achterstevoren in de loop komen, en als de lading andersom werd aangebracht, zou het slaghoedje onbereikbaar worden. Dat het probleem blijkbaar toch was opgelost – want alle kogels in de menigvuldige avonturen troffen feilloos doel – kon onze bewondering alleen maar vergroten.

Ten slotte werden alle opkomende twijfels weggenomen door de schrijver, die vertelde dat de constructie van de buks een goed bewaard geheim van de uitvinder was. Zo is het beeld van „mister Henry” gaaf in ons geheugen bewaard gebleven en de ontmoeting met een echte geweermaker leek ons de vervulling van een Jeugddroom.


De geschiedenis van het geweer begint in of omstreeks 1323, toen de Duitse monnik en alchimist Berthold Schwarz in zijn primitieve kloosterlaboratorium in een pannetje zat te roeren waarin hij salpeter, zwavel en gemalen houtskool door elkaar had gemengd. Als hij het deksel op zijn pannetje had gedaan, zou misschien het hele klooster met convent en al in de lucht zijn gevlogen; niemand zou de oorzaak van de ontploffing hebben begrepen en de geschiedenis zou waarschijnlijk een andere loop hebben genomen. Nu bleef het bij een walmende steekvlam, en toen de verschroeide monnik weer bij zijn positieven kwam, kon hij onder zijn notities aantekenen dat hij het buskruit had uitgevonden.

De Chinezen hadden die prestatie al eeuwen eerder verricht, maar zij gebruikten hun kruit voor het ontsteken van vuurwerk bij godsdienstige en burgerlijke feesten. In het meer „beschaafde” Europa werd, zoals te doen gebruikelijk, de uitvinding onmiddellijk voor oorlogsdoeleinden benut Nauwelijks twintig jaar na de doodsschrik van Berthold Schwarz duiken dan ook de eerste geweren op het slagveld op.

Die eerste geweren waren niet meer dan met kruit en hagel of kogels volgestopte pijpen, die afgevuurd werden door een vlammetje bij een ontstekingsgaatje te houden. Ze waren aanvankelijk even gevaarlijk voor de schutter als voor de vijand. Uit dit primitieve begin ontwikkelden zich de hand-, lood-, knip- en haakbuksen, allemaal voorladers, grote, onhandige dingen die op een vork steunend moesten worden afgeschoten. Ze werden wat eenvoudiger door de uitvinding van het vuursteenmechanisme, waardoor de ontstekingslont kwam te vervallen, maar voorladers zijn tot het eind van de 18e eeuw in gebruik gebleven.

In de eerste helft van de 19e eeuw werd het percussieslot uitgevonden en in 1841 ontwikkelde Dreyse het principe van de openklapbare loop, waarin de patronen konden worden geschoven die van een slaghoedje waren voorzien, dat door de slag van een met een veer gespannen haan tot ontbranding werd gebracht. Het hanengeweer verouderde na een Engelse uitvinding van het hammerless-type, waarbij de hanen in het inwendige van de bascule kwamen te liggen. De bascule is het eigenlijke mechanisme van het geweer, het metalen verbindingsstuk tussen loop en kolf, waarin het sluit- en vergrendelingssysteem en de afvuurinrichting zijn ondergebracht. Op dit systeem zijn de moderne jachtgeweren gebaseerd.

[…]


[1]In: Leeuwarder Courant : hoofdblad van Friesland, 2 maart 1974.



Terug naar de Nederlandstalige bibliografie.

Terug naar de Karl May-startpagina.

Terug naar de Apriana-startpagina.