Van Karl May naar Walter Scott

door Daan van der Vat 1


– JO VAN DOVEREN 2, de circusman, is dood. Ik ben zeer met hem bevriend geweest en ontmoette hem dikwijls. Dat ging zo: Ik zat op mijn eentje in een van mijn Parijse lievelingscafés, dat door slechts weinige buitenlanders werd bezocht. Achter mij trad iemand binnen. „Betaal jij voor de lunch of moet ik betalen?” zei een vertrouwde stem. Dat was Jo van Doveren, die niet eens wist dat ik in Parijs was, op doorreis van Amsterdam naar Londen. En ik liep door Regent Street in Londen. Ik passeerde de winkel van Jaeger en iemand kwam naar buiten en zei: „Zullen we een glas sherry gaan drinken in de sherrytent aan de overkant?” Dat was Jo van Doveren.

En ik was in een circus in Manchester, waarvan de baas een goede vriend was. Ik stond verborgen achter de gordijnen welke toegang verleenden tot de manege. Voor mij stonden twee zebra’s te wachten op hun beurt. En een stem achter mij zei: Als je in het bezit wilt blijven van je beide benen, moet je nooit achter een zebra gaan staan.” Dat was Jo van Doveren.
Een van de laatste keren dat ik hem ontmoette, evenals altijd bij toeval, was in Maastricht. Ik had juist een kaartje gekocht voor Luik. Iemand die achter mij stond zei: „Ik heb gisteravond gehuild.” Het was Jo van Doveren. „Waarom heb je gehuild?” vroeg ik. Jo vertelde mij dat hij de vorige dag een paar deeltjes van een Nederlandse vertaling van de werken van Karl May had gekocht in een stationskiosk en dat hij was beginnen te lezen omwille van zijn jonge jaren, toen hij een verslaafde was geweest. En nu hij na vele jaren opnieuw in Karl May had gelezen, was het geweest als een herdenkingsdienst; „voor een vergane jeugd en een dood verleden,” zei Jo.
Ik heb zelf dezer dagen ook vaak aan Karl May gedacht, zulks wegens Walter Scott. Dit klinkt vreemder dan het lijkt op het eerste gezicht, maar de verklaring is vrij eenvoudig. Toen ik twaalf jaar oud was, stuurde mijn vader mij naar het gymnasium van de Augustijnen in Venlo. Maar dit gymnasium had geen internaat en ik werd „in de kost gedaan” in een internaat van de Duitse Dominicanen in dezelfde stad. Ik was een verwoed lezer, maar de huisbibliotheek bestond uitsluitend uit Duitse werken. Ik kende nog geen Duits. Ik wilde graag de romans van Walter Scott lezen. Ik had van deze beroemde schrijver gehoord en wilde hem lezen, te beginnen (om onbekende redenen) met Bob Roy. Gelukkig bezat de bibliotheek een groot aantal Karl Mays in Duitse vertaling. Ik was erg met deze werken vertrouwd. Ik begon derhalve met alle Karl Mays die ik ooit had gelezen te herlezen in de oorspronkelijke Duitse tekst. En na enige weken ging ik over naar Scott. Eerst was het moeilijk en ik moest vaak gebruik maken van een woordenboek. Maar na een week of vier en vele uren lezens achtte ik de tijd gekomen en ik ging Scott te lijf. Het hielp dat ik elke dag Duits rond mij heen hoorde. Rob Roy natuurlijk en Old Mortality en The Heart of Midlothian en The Fortunes of Nigel en St. Ronan’s Well en Quentin Durward. En ook al ging het wel eens boven de jongenspet, ik genoot. Het was voor mij de allerschoonste historische romantiek. En dan waren er de gedichten. Daar was „The Lady of the Lake” en Het lied van de Laatste Troubadour (The way was long / the wind was cold / The Minstrel was inform and old.) Het klonk natuurlijk erg Duits en, naar ik later ontdekte, was het een slechte vertaling.
Toen ik na mijn twee jaren in Venlo, naar een ander gymnasium ging, verder naar het noorden, en niet langer over een Duitse bibliotheek beschikte, raakte Scott vergeten. En toen ik jaren later, meer uit piëteit dan literaire bewondering, tot Scott terugkeerde, hadden zich de poorten voor mij gesloten. Scott was niet langer voor mij.


Karl May

Walter Scott

In marmer

Maar ik moet een monumentale uitzondering maken. Scott mag dan al niet een groot romanschrijver of dichter geweest zijn, zulks ondanks zijn enorme populariteit tijdens zijn leven, maar hij was zonder enige twijfel een van de grootste Schotten die ooit geleefd hebben en ik heb nooit vergeten hem in het voorbijgaan te begroeten waar hij in marmer staat met zijn hond in zijn mooie stad Edinburgh, midden in Princess Street, „de meest nobele promenade ter wereld”.
Hij had zich geassocieerd met het drukkersbedrijf van Ballantyne en Ballantyne associeerde zich met de uitgeversfirma Constable & Co. Laatstgenoemde firma ging failliet, de firma Ballantyne werd meegesleurd in de val. En ofschoon hem van vele kanten financiële hulp werd aangeboden, nam Scott geheel alleen de financiële lasten van het faillissement op zich. De schuld was ongeveer 120.000 pond, te vergelijken met een bedrag van tien miljoen gulden heden 3.
In 1825 begon Sir Walter Scott een dagboek. Hij was op het toppunt van zijn roem en zijn rijkdom. En toen volgde de ene tragedie op de andere. Twee maanden na het begin van het dagboek raakte hij verwikkeld in de financiële catastrofe. Vier maanden daarna stierf zijn hartstochtelijk beminde vrouw, en lichamelijk leed hij aan veel pijn en ziekte. Maar Scott wilde zijn belofte gestand doen. Alle schulden van Constable en Ballantyne zouden betaald worden. Scott heeft het zelf niet mogen beleven. Maar kort na zijn dood werd het laatste bedrag betaald uit de postume opbrengst van zijn boeken. De man had zich letterlijk dood geschreven. Het dagboek gaat over de laatste zeven jaar van zijn leven. Het is een nobel document van een edel man met een groot hart, een autobiografie zonder zelfbeklag.
Als hij in 1829 zijn eerste en in 1830 zijn tweede beroerte krijgt, is zijn eerste bezorgdheid dat hij niet lang genoeg in leven zal blijven om de grote schuld te delgen. Hij stierf in 1832, op zestigjarige leeftijd. Hij heeft het niet mogen beleven dat, korte tijd na zijn dood, zijn wens is vervuld.
Het dagboek van Scott verscheen in 1890 en wederom, in drie delen, in 1939-1949. Er is nu een geheel nieuwe uitgave verschenen, geredigeerd door W. E. K. Anderson. Het is in alle opzichten verreweg de beste en fraaiste, van alle tot heden verschenen edities. Maar de prijs is te hoog voor de meeste particuliere bewonderaars van de grote Schot (12.50 pond). Het is vurig te hopen dat weldra een betaalbare editie zal verschijnen.

„The Journal of Sir Walter Scott”. Edited by W. E. K. Anderson. (Oxford University Press. Prijs £ 12.50 4 ).


[1]In: De Tijd : dagblad voor Nederland, 9 september 1972.
[2] Jo van Doveren (* 14 mei 1901 , † 7 juni 1968) was een Nederlands circusmedewerker, impresario en schrijver. Hij werkte als perschef voor o.a. Circus Sarrasani, Circus Busch, Circus Hagenbeck, Circus Strassburger – bij Bob Evers- en Havank-liefhebbers beter bekend onder de naam Circus Mikkenie of Circus Mikkenie-Strassburger –, de Nederlandse Opera en Holiday on Ice. Hij schreef het (ongepubliceerde?) artikel „Het Museum van Winnetou”, naar aanleiding van de dood van Patty Frank, beheerder van Villa „Bärenfett” in Radebeul, die zijn carrière eveneens begonnen was als circusartiest.
In 1970 werd Van Doverens boeken- en prentenverzameling bij Sotheby’s in Londen geveild voor £ 8.500 (omgerekend ƒ 73.000, hetgeen nu volgens Value of the Guilder versus Euro zou neerkomen op € 154.000).
[3]Voor onze jongere lezers: vóór de euro als betaalmiddel werd ingevoerd op 1 januari 2002, had elk land in Europa z’n eigen betaalmiddel. In ons land was dat de gulden; 10 miljoen gulden in 1972 was volgens Value of the Guilder versus Euro in 2016 iets minder dan 17 miljoen euro.
[4]£ 12,50 in 1972 is in 2021 volgens Inflationtool een slordige 145 pond waard: inderdaad nogal duur voor een boek, ook al heeft dat drie delen.



Terug naar de Nederlandstalige bibliografie.

Terug naar de Karl May-startpagina.

Terug naar de Apriana-startpagina.