Tussen de bedrijven door melken de rode broeders van Ruurlo

door René de Bok 1


IN HOTEL DE LUIFEL in het Achterhoekse Ruurlo zegt de plaatselijke dierenarts H. van der Meulen haastig: „Ja, juist. De publiciteit. We zijn daar niet zo gelukkig mee. Achter Het Nieuws wilde zo nodig een reportage maken over de Karl May-openluchtspelen. Maar wat zie je: Pier Tania reist met zijn ploeg naar Bad Segeberg in Duitsland. Op zoek naar de Duitse Winnetou. Terwijl Pier hier in Ruurlo de Indianen voor het grijpen had. Wèl kregen we bezoek van de BRT, de Belgen, maar de vraag is nu: wat hebben wij daar aan? Nee, het zit niet mee.”

Dierenarts Van der Meulen zou volgens plan iets vertellen over het driejaarlijkse Openluchtspel Ruurlo. Want naast het voorzitterschap van de plaatselijke voetbalclub en ijsclub voert de dierenarts voorts het comité „Openluchtspel Ruurlo” aan. Maar de notabel legt zichzelf het zwijgen op. Nu dient er niet gepraat, maar gehandeld te worden. Tien kilometer van De Luifel wacht een hoogdrachtige koe op de verlossende handen van de heer Van der Meulen. Vaardig brengt hij een welgeschapen kalf van circa zestig pond ter wereld.

Steunpilaren

Terug in De Luifel, een gemoedelijk café met biljart, tevens kantoor van de Ruurlose VVV, staat het Openluchtspel weer centraal. De Luifel is vandaag de plaats, waar een aantal steunpilaren van het Karl May-festival bijeenkomen.

In volgorde van binnenkomst verschijnen Old Shatterhand vertolkt door de conciërge van het gemeentehuis H. Klomp, de regisseur van het spel B. Gerdes, hoofd van de Sint Willibrordschool en tenslotte een Indiaans opperhoofd, dat zich aandient als de gemeentearchitect K. Koeman. Winnetou zelf is helaas verhinderd, omdat hij als boekhouder werkzaam is op een Zutphens kantoor, waar zijn aanwezigheid tijdens de werkuren zeer op prijs wordt gesteld.

De heer Van der Meulen vraagt het woord, want hij wil iets kwijt over de achtergronden van het Ruurlose openluchtspel.

In 1952 staken enkele notabelen de koppen bijeen, omdat er „iets moest gebeuren” in het sluimerende Ruurlo. Het eerste plan, dat in de breinen van de notabelen postvatte, beoogde het invoeren van een drie-jaarlijks streekstuk. Een gevoelig, doorwrocht stuk vol met alle opgekropte emoties van het leven op het platteland. Maar de notabelen kregen een ingeving en reisden terstond af naar het Duitse plaatsje Bad Segeberg, waar rond die tijd de plaatselijke Winnetou-spelen aan de man werden gebracht.

De koppen werden weer bijeengestoken en zo werd Ruurlo de vaderlandse tegenhanger van Bad Segeberg. Vanaf 1952 spelen circa honderdtien ingezetenen van Ruurlo iedere drie jaar een avontuurlijk Indianenverhaal van Karl May 2. Dit Jaar is het boek: „De zoon van de berejager” aan de beurt.

Wachtlijst

Vorig jaar oktober trof het comité Openluchtspel Ruurlo de eerste voorbereidingen. De inventarisatie van elektriciteitskabels, decors, paarden (een dertigtal) en de manschappen, in dit geval de Indianen. De honderdtien van drie jaar geleden zeiden allen ja en een tiental Indianen kwamen zelfs op de wachtlijst. Voorts gingen zes Ruurlose dames met naald en draad aan de slag om alle Indianenpakken en hoofdtooi te vervaardigen.

Tegen half mei begonnen de eerste repetities. Twee maal in de week, zowel leesrepetities als de paardrij-oefeningen. Op 1 augustus traden de Ruurlose Indianen voor het eerst in het strijdperk, een open plek in het Rijkenbargse Bos, voorzien van een gaaf Wild West-decor compleet met rotspartijen en bosschages. Na de eerste vijf voorstellingen hebben meer dan tienduizend toeschouwers uit alle delen van het land de schermutselingen van Ruurlo’s inwoners met de verhalen van Karl May vanaf de tribunes gevolgd.


Gemeentearchitect K. Koeman als Indianenopperhoofd

Dierenarts Van der Meulen schetst de opofferingen, die de dorpsbewoners zich iedere drie jaar getroosten om de Karl May-spelen tot een goed einde te brengen.

„Drie maanden lang zijn de acteurs twee avonden in de week in touw. Ze krijgen er geen cent voor. En dan moet u nog bedenken, dat velen hun vakantie moeten opofferen, die ze na een jaar van hard werken wel hebben verdiend. Dan zijn er nog mensen, die iedere keer met hun paard een kilometer of tien moeten afleggen om de repetities of de uitvoeringen te kunnen meemaken. Tussen de bedrijven door moet er dan ook nog gemolken worden. Want dat gaat door.”

Opperhoofd Koeman: „Het is natuurlijk geen gewoon toneelstuk. Het is meer een show, een soort Folies Bergères, maar dan heel anders. De bewegingen van de paarden zorgen voor de dynamiek in het spel, de tekst staat op het tweede plan. Dat kan ook niet anders, want als het boek op de letter zou worden gevolgd, loop je het gevaar, dat het allemaal erg statisch wordt.”
Old Shatterhand is niet zo in zijn schik over de dynamiek van het paardrijden.

„Paardrijden kost me nog het meeste moeite. Alleen kun je je op zo’n paard nog wel roeren, maar eenmaal in een troep moet je de snelheid aanpassen, anders loopt het in de soep. Ik zit nog net zo lief op een hobbelpaardje.”

Doet het niet wat kinderlijk aan, zo’n menigte volwassen mannen, die in Indianenkostuums zich het vuur uit de sloffen rennen in het Rijkenbargse Bos en daarbij wilde kreten uitstoten en pistooltjes laten knallen?

Gemompel, gemor. Regisseur B. Gerdes spreekt. „De tendens van de verhalen van Karl May is beslist niet kinderachtig, want het verschijnsel van de rassendiscriminatie wordt er aan de orde gesteld”.

„Er is een goede partij en een slechte”, zegt opperhoofd Koeman. „Het gegeven is voldoende suggestief verwerkt om het publiek mee te slepen. En dat het niets kinderachtigs heeft bewijst het publiek zelf. Tachtig procent volwassenen en twintig procent jeugd. De jeugd kan er niet genoeg van krijgen. Ergens laat Karl May mij als opperhoofd roepen: moeten de rode broeders tegen de rode broeders strijden? De laatste keer ging er een gejuich op toen ik het riep. En de mensen riepen steeds maar weer: jaaah...”

Er gaan kranteknipsels over het openluchtspel rond en enkele foto’s. De kranten zijn vol lof over Ruurlo’s openluchtspel. Het opvallende van de fotografieën is, dat de notabelen van het dorp vooraanstaande posities als Indiaan bekleden en grote hoofdtooi voeren. De minder draagkrachtige acteur speelt doorgaans de rol van krijger en wordt slechts van één veer voorzien.


Boer Johan te Velthuis als de krijger Wohkadeh

‘Langdradig’

Tijdens het geschuifel met kranten en foto’s heeft Old Shatterhand („Geef mij maar pils. Geen vuurwater zo vroeg op de dag. Haha.”) weinig goeds bij te dragen over de auteur Karl May. „Ik heb nog nooit zo’n boek uitgelezen en het zàl ook nooit gebeuren. Ik vind die boeken verschrikkelijk. Langdradig tot en met. En veel te lange, ingewikkelde zinnen”.

Maar genoeg gepraat. De heer Van der Meulen vervoert het gezelschap – met uitzondering van Old Shatterhand, die weer moet optreden als conciërge van het gemeentehuis – naar het Rijkenbargse Bos, waar opperhoofd Koeman in vol ornaat ten gerieve van de fotograaf van een rotspartijtje zal springen. Het opperhoofd, dat enigszins gezet door het leven gaat, zal zijn wulpse sprongetje enige malen herhalen, voordat iedereen tevreden is.

Op de terugweg naar Ruurlo rijdt de heer Van der Meulen nog even langs Johan te Velthuis, door de dierenarts na enige hoofdarbeid aangemerkt als een kleine boer.

In „De Zoon van de Berejager” speelt Johan de rol van Wohkadeh, de krijger. Ook Johan is uitgerust met één veer, zoals we zien als Johan zijn werkkleding verwisselt voor het Indianenpak. Hoewel Johan al sinds jaren een flinke kracht is voor het plaatselijke amateurtoneel staat hij er in zijn Indianenkostuum wat beteuterd bij. Een zuurzoete glimlach verschijnt slechts met uiterste krachtsinspanning. De familie van Johan kijkt vol trots naar hun eigen acteur. Een wandspreuk meldt: „Niet klagen, maar dragen.” Johan is derhalve in deze gedachte opgevoed.

Zeis

Als Johan te Velthuis samen met fotograaf Charles Vlek door het roggeveld baant op weg naar een nieuwe lokatie, zegt dierenarts Van der Meulen somber: „Toch eigenlijk geen gezicht, zo’n Indiaan met een zeis in het roggeveld.” Maar schoolhoofd Gerdes weet het beter. „Er waren toch al Indianen, die zich bezighielden met de landbouw.”

De heren Van der Meulen en Gerdes monsteren het zwerk. „Als dat maar goed gaat”, zegt de dierenarts. „Dit weekeinde zijn er nog twee voorstellingen en ik hoop intens, dat het niet gaat regenen, want dan wordt het spel een levensgevaarlijk karwei. En de recettes zullen dan ook niet zo hoog zijn. Trouwens we stoppen er gewoon mee als het gaat regenen. Die drie of vier man, die op de tribune blijven zitten, schieten we er dan wel af. Hahaha. Allemaal gekheid. Ik hoop, dat het geweldig wordt, maar ook al verregent de boel: de acteurs krijgen een feestje achteraf. Dat is zeker.” 3


[1]In: Het Parool, 7 augustus 1971. Foto’s van Charles Vlek.
[2]Er werden in Ruurlo al eerder openluchtspelen gehouden, maar pas in 1962 volgde het eerste spel naar motieven van Karl May.
[3]De inwoners van Ruurlo weten het nog niet, maar de opvoeringen van 7 en 8 augustus 1971 zouden helaas de laatste worden, omdat de eigenaar van het perceel, de Stichting NVV Vakantieverblijven de grond opeiste en regisseur Ben Gerdes kwam te overlijden. Tot dat moment hadden er dus vier cycli van openluchtspelen, vrij naar Karl May, plaatsgevonden:
Winnetou, opperhoofd der Apachen” (1962),
Winnetou en het Zilvermeer” (1965),
Winnetou en Old Surehand” (1968) en
De zoon van de berenjager” (1971).



Terug naar de Nederlandstalige bibliografie.

Terug naar de Karl May-startpagina.

Terug naar de Apriana-startpagina.