Keulen opent de wigwam voor blanke
Duitse kunsthal Mekka voor Karl May lezers
Humor was Indianen niet vreemd


door Wil Jansen 1


KEULEN – „De grote Manitoe zal niet toestaan dat de blanke man de maan betreedt”, sprak een indiaans opperhoofd enkele dagen voor de start van de Apollo 11. Zijn bittere hoop werd niet vervuld.

Dankzij technische wondermiddelen die zijn begrip ver te boven gingen, zetten de blanke Amerikaanse ruimtepioniers voet op de maan. Nauwelijks tweehonderd jaar nadat hun ruige voorvaderen massaal gehoor hadden gegeven de opwekkende kreet: „Go West” en met de bijbel in de ene en de vuurbuks in de andere hand wouden en prairies op de Indianen hadden veroverd. Het krijgshaftige rode volk van toen zit er – nu het ruimtevaart-tijdperk is aangebroken – in reservaten voor spek en bonen bij.


Minderheid

Tweehonderd jaar geleden schatte men het aantal indianen in Noord-Amerika op 850.000. Nu vormen ze nog slechts een minderheidsgroep van zeshonderdduizend mensen. De oorspronkelijke ontdekkers van Amerika, die zo’n vijftienduizend jaar geleden vanuit Azië de Bering overstaken, zijn in de achttiende en negentiende eeuw bijna uitgeroeid door de kogels, de ziekten en door vuurwater waarmee de blanke halfgoden hen rijkelijk bedeelden.

Maar de legendarische indiaan is niet verdwenen uit de verbeelding van de Europeaan. Hij laat zich zelfs niet meer verjagen door de adembenemende maanlanding van de ruimtevaarders. Zo was het tenminste in Keulen, waar velen de tv-uitzendingen over de maanlanding links lieten liggen en met een verheerlijkt gezicht tussen de tomahawks, wigwams en vredespijpen toefden.


Deze totempaal werd ontdekt in een verlaten dorp op een eiland voor de kust van Alaska. De 2,50 m hoge paal is geheel groen geverfd met hier en daar wat rood en wit. Het houtsnijwerk stelt een mythologische herenfiguur voor met uitgestoken tong. Het gezicht beneden toont het opperhoofd „Kikkeroren”.


De bloedige slag bij fort Mackenzie op 28 augustus 1833; in beeld gebracht door Carl Bodmer.


ln Keulen is ook een uitgelezen verzameling tomahawks te bezichtigen. Sommige van deze strijdbijlen kunnen ook gebruikt worden als vredespijp. De steel is in de lengterichting doorboord en in de stenen of metalen kling is een holte waarin tabak kan worden gestopt. Oorlog en vrede waren onafscheidelijk. Tussen de tomahawks op de foto hangen ook strijdknotsen.


Den Haag

Tot 1 oktober is in de grote kunsthal van Keulen een deel van de beroemde collectie van het Museum of the American Indian uit New York te bezichtigen. Meer dan dertienhonderd kunst- en gebruiksvoorwerpen, afkomstig uit de pre-historie en de meer recente geschiedenis van de roodhuiden.
Dankzij de inspanningen van de regering van de Verenigde Staten, die de indiaanse kunstenaars weer stimuleert, is er ook hedendaagse kunst bij.
„We hebben zeer veel moeite moeten doen om deze kostbare collectie naar Europa te halen”, aldus professor dr. W. Fröhlich, directeur van het volkenkundig museum van Keulen, dat de expositie heeft georganiseerd. „We onderhandelen nu met Den Haag, Londen en Zürich, waar men deze collectie graag wil overnemen”.

Met driepoot

Hij heeft het druk. Met de regelmaat van de klok ontvangt hij wetenschapsmensen uit het buitenland, die hij dan even beminnelijk als geestdriftig temidden van de uitstalkasten, totempalen en tenten voert. De Keulse kunsthal zal nog enkele maanden het Mekka van de lezers van Karl May en de leden van de talrijke Duitse indianenclubs zijn.
Op strategische punten hangen manshoge foto’s. Grijzige en soms wazige prenten uit een ver verleden. In de pioniertijd van de fotografie vervaardigd door artistieke lieden die een onhandelbare houten driepoot en een zware camera naar de horizonten sleepten om vanonder een zwarte doek het wilde westen in beeld vast te leggen.

Geronimo

Eén foto toont een haveloze figuur tussen wat bosschages. Hij draagt een nopjeshemd en kijkt lichtelijk scheel over de loop van zijn geweer. Bedrieglijke schijn, want kleine lettertjes van het onderschrift leren dat de bezoeker oog in oog staat met de roemruchte Apachenhoofdman Geronimo.

Een ander portret, zo groot als een berehuid, maakt onmiddellijk duidelijk dat we met een belangrijk man te doen hebben. De norse krijger draagt een omvangrijke verentooi, talrijke versierselen en een indrukwekkend geweer. Het betreft dan ook de fameuze Sitting Bull, de hoofdman van de Hunkpapa-Sioux, beter bekend dan de meeste van de presidenten van de Verenigde Staten.

Er zijn er nog meer: Red Clous, opperhoofd van de Oglala-Sioux, tronend op een keukenstoel. En dan Nettie Lone Wolf, een stuurs kijkende Sioux-schone.

Jacht

De expositie omvat ook talrijke schilderingen waarin het leven van de indianen wordt weergegeven. Taferelen van de jacht, rituele dansen, oorlog en feest. Tot het einde van de vorige eeuw sproot de enige blanke belangstelling voor de levensgewoonten van de indianen voort uit het verlangen hen zo snel mogelijk over de kling te kunnen jagen.

Blanke jagers maakten jacht op zijn goudklompen, de zogeheten nuggets, en weldra ook op zijn hoofd toen de overheid voor indiaanse scalpen hoge premies uitloofde. Misschien goed bedoelende, maar onwetende missionarissen, ontnamen de „rode heidenen” hun religie en drukten de authentieke indiaanse cultuuruitingen de kop in.

In Keulen treedt een geheel andere rode man naar voren dan de figuur uit films en romans. Niet de norse krijgsman die de vredespijp rookt en keelklanken uit de brede borst stoot.

Edel

Niet de bloeddorstige duivel die beschilderd en gillend het gezin van de blanke kolonist de hersenpan inslaat. En evenmin het geïdealiseerde natuurkind, de edele wilde, zoals die gestalte kreeg in Karl Mays Winnetou.
De expositie toont een volk met een hoogstaande cultuur, met kunstuitingen die soms tot de mooiste ter wereld worden gerekend. Alles is zorgvuldig gegroepeerd naar het landschap waarin de indianen leefden.

De monumentale houtsnijkunst van de indianen van de Noordamerikaanse westkust, het indrukwekkende zilversmeedwerk van de Navajo’s uit de zuidwestelijke woestijngebieden; de weefkunst, de parelversieringen en de beschilderde bizonhuiden van de prairiestammen zoals de Sioux, Cheyennes en de Zwartvoet-indianen; en het vlechtwerk van de Irokezen, Huronen en Delawaren uit de oostelijke wouden.

Kunst van de jagersvolken die als nomaden in tenten rondtrokken en van de landbouwers die in gepleisterde woningen, de pueblo’s, woonden. De landbouw stond op een hoog peil. Dankzij de indiaanse boeren maakte de wereld kennis met nieuwe gewassen als de aardappel, mais, meloenen, tomaten, zonnebloemen, artisjokken en meer.

Humor

En achter de fraaie, kleurrijk versierde voorwerpen in Keulen, doemt de geest op van rode mensen die een verbazingwekkend gevoel voor humor blijken te bezitten.

„Humor was de indianen beslist niet vreemd. Heel wat voorwerpen in onze musea worden zowel door de leek als de wetenschapsman ernstig en eerbiedig aanschouwd, terwijl ze slechts zijn ontstaan uit het verlangen vrolijkheid te veroorzaken,” aldus dr. F. J. Dockstader, directeur van het Museum of the American Indian uit New York.

Maar toen we na een middag temidden van de knotsen, strijdbijlen, pijlen en bogen en scalpeermessen te hebben vertoefd, naar de uitgang wandelden, bekroop ons een onbehaaglijk gevoel tussen onze schouderbladen. Precies daar waar we ondanks alle indiaanse humor een snorrende pijl verwachtten.


Dit prachtige masker is afkomstig van de Kwakiutl-
stam aan de noordwestkust van Amerika.



Een indrukwekkend voorbeeld van zilversmeedwerk
van de Navajo’s uit de woestijngebieden.


Dit is een ceremoniële hoofdtooi van een hoofdman van de Haida Indianenstam in Alaska. De hoofdtooi stelt een beer voor met op de achterkant (nauwelijks zichtbaar) een stuk vin van een walvis.





[1]In: Algemeen Dagblad, 2 augustus 1969.



Terug naar de Nederlandstalige bibliografie.

Terug naar de Karl May-startpagina.

Terug naar de Apriana-startpagina.