Enkele punten over de bronnen en het doel van Karl Mays werken

door drs. L. van Bommel 1


          Wij willen proberen U in dit kort bestek enkele dingen te vertellen over de bronnen, waaruit Karl May heeft geput. Dit is niet eenvoudig, omdat het er zoveel zijn en wij er maar een deel van kennen. Het lijkt echter niet zo belangrijk ze allen te kennen omdat men steeds dient uit te gaan van de doelstelling van onze schrijver: rust en vrede door godsgeloof en menselijkheid. De hoofdzaak is, dat dit bereikt wordt; het uitwerken ervan is niet het voornaamste, hoewel voor Karl May-vrienden en -kenners toch van zekere betekenis.
          Mag ik U een eenvoudig voorbeeld geven?
          Drs. Th. Brasser 2 heeft eens op een vraag mijnerzijds betreffende de Winnetou-begrafenis in een grafheuvel geantwoord, dat slechts één dergelijk geval bekend is en dat betreft een Ponca-opperhoofd 3 in het begin van de negentiende eeuw. Wij zien hier dus een op zichzelf wel belangwekkende, maar voor Karl Mays doel niet noodzakelijke gebeurtenis-beschrijving. Daarentegen is bij voorbeeld het symbolische begraven van Winnetou’s testament en de inhoud daarvan wel van grote betekenis, evenals wat er verder mee is gebeurd.
          Karl May bedoelt, dachten wij, aan te tonen hoe moeilijk het is vredesideeën te openbaren en nog moeilijker die te verwezenlijken.
          Mogen wij verder verwijzen naar de bekende pocketboeken-serie onder redactie van Dr.F.C.de Rooy 4?
          Terugkomend op de terpbegrafenis van Winnetou en die vergelijkend met de uitvaart van een van diens “voorbeelden” n.l. Cochise 5, dan moeten wij vaststellen, dat deze geheel anders begraven werd.
          In 1874 overleed Cochise, ongeveer 60 jaar oud. Zijn zwager, bloedbroeder en vaak medestrijder, Mangas Coloradas 6, was toen al ruim tien jaar daarvoor wreed vermoord door amerikaanse militairen. Cochises bloedbroeder, Tom Jeffords 7, was bij zijn begrafenis aanwezig, gelijk Old Shatterhand bij die van Winnetou. Na de plechtigheden, in bijzijn van de gehele stam, werd hij in een onbekende rotsspleet ter aarde besteld.
          Het kan U onder meer uit onze “Kiva” bekend,zijn, dat Karl May een zeer onrustige jeugd had, dat hij later lichte vergrijpen pleegde, totaal in de war geraakte en verkeerd reageerde toen deze zaken werden ontdekt, tengevolge waarvan hij soms veel te zwaar werd gestraft. Dat vond hijzelf ook; doch nu komt het tweezijdige in zijn persoonlijkheid, dat hij later, ten onrechte als gespletenheid van geest uitlegde te zijner verdediging. Wij zouden mokken over dergelijke onrechtvaardigheid en misschien zelfs in opstand komen. Hij echter kan nu pas rustig worden in zijn afzondering en kan zich afsluiten van de in zijn idee zo vijandige buitenwereld door ongestoord te dromen van een omgeving in een vóór en dóór hem rechtvaardige vrijheid.
          In deze halve droom voelt hij zich ver, ver weg, zoals op de oceaan, in Afrika of Amerika, waar hij, die nooit of zelden paard reed dit nu wel doet, en hoe! Hij waant zich Old Shatterhand!
          In een der gevangenisbibliotheken treft hij reisbeschrijvingen aan, die ook over Indianen gaan, Indianen en andere volken, die evenals onze vriend zelf, harteloos worden behandeld. Hij vergeet hierbij wel eens, dat er onder deze mensen ook wel “minder lieve jongens” voorkomen!
          Wij hebben hier dus een zijner bronnen: reisbeschrijvingen. Daaruit neemt of bewerkt hij soms tochten of personen, zoals bij voorbeeld Sir David Lyndsay, Schots dichter in de 16e eeuw 8. Karl May heeft vaak namen voor zijn personen in encyclopedieën gezocht. Deze komt in de R.K. encyclopedie 9 voor.
          Voor die tochten en reizen zal hij wel veel gelezen hebben over de oude trails in Amerika en ontdekkingsreizen in de Oriënt. Dr. F. C. de Rooy noemt hiervan voorbeelden in zijn boek “Old Shatterhand ook voor U”, zoals het verslag van een Engelse archeoloog in 1849 over diens opgravingen bij Niniveh 10. Hiervan verscheen in 1966 een nieuwe duitse druk. Er schijnt een lijst van deze reisbeschrijvingen te bestaan in een der Karl May jaarboeken, dat ik helaas (nog) niet in handen heb 11. Wel mag ik wijzen op Gabriel Ferry’s 12 “Woudloper”, dat door Karl May is bewerkt en waarin hij figuren laat spelen, die later vergelijkbaar zijn met die van Winnetou en anderen. Hij heeft dan al zijn zilverbuks, die in het verhaal van Ferry niet voorkomt. May heeft niet de franse tekst bewerkt maar een verouderde duitse vertaling. Vergelijk onze pocket.
          Wij hebben het zojuist gehad over de droomtoestanden in de gevangenis. Daarnaast heeft hij ook gelegenheid voor zelfonderzoek. Hij beseft dan heel goed verkeerd gehandeld te hebben en heeft spijt daarvan, ook hier soms in een wat onevenredig grote mate. Dit nu, zijn persoonlijke leven, samen met zijn gevoelsgewaarwordingen, verwerkt hij in zijn verhalen, naar sommiger gevoel te sterk (de “bekeringen”, zoals Winnetou, die Christen wordt, de geschiedenis van Old Wabble e.a.) maar van zijn standpunt uit gezien zo echt menselijk en sympathiek.
          Verder is Karl May letterlijk veel op de vlucht geweest, n.l. als de politie hem zocht. Hij kwam dan o.a. in havens ongetwijfeld met zeelui in aanraking, heeft ook daar waarschijnlijk inlichtingen over Amerika en andere landen gekregen. Het kolen-engels, dat hij sprak geeft een aanwijzing hiertoe. Bovendien is er steeds nog de mogelijkheid, dat hij, aan boord van een schip werkend, de oceaan overging 13. In dit geval kan hijzelf in Amerika contacten hebben gehad, ofschoon er nimmer een lange tijd beschikbaar is geweest om het binnenland in te trekken. Misschien kan de onopgehelderde herkomst van zijn geweren en derg. hiermee in verband worden gebracht 14.
          Wat wellicht Uw belangstelling zal hebben zijn de werkelijk geleefd hebbende personen, die Karl May hetzij uit de geschiedenis, hetzij uit eigen kennismaking voor ons heeft opgetekend. Voor de eerste groep doet Sam Hawkins mij sterk denken aan Edward Robinson 15, een vallenzetter, die omstreeks 1800 leefde en ook zijn scalp verloren had. Dit is echter slechts een vermoeden. Let op de vogelnamen Hawk – havik en Robin – roodborstje.
          Tot de tweede groep behoren enkele figuren uit May’s naaste omgeving, b.v. Dikke Jemmy (James Pfefferkorn 16, een latere geneesheer ) de gekke cantor 17 e.a. De belangrijkste bron is de fantasie van Karl May zelf. Hij had die voor een deel geërfd van zijn grootmoeder, op wie hij zo gesteld was en die prachtige verhalen kon vertellen. Daarnaast heeft hij in zijn jeugd ook veel avonturen-prullenlectuur gelezen, zoals Rinaldo Rinaldini 18. Eén keer gaat hij zelfs van huis om de “edele rover” op te sporen en hem hulp te vragen voor zijn familie. Zo sterk leeft hij zich in en dat doet hij later ook met de door hem geschapen figuren. Dat is dan ook de verklaring waarom hij, de kleine man van 1.69 M. lengte, zich zal laten afbeelden als Old Shatterhand en Kara ben Nemsi.
          In zijn halve dromen spreekt hij met zijn figuren, lacht, huilt, wordt soms woedend en dan weer humoristisch.
          Wat zal onze vriend gevoeld hebben toen hij in het circus van Buffalo Bill 19 deze materialistische man en diens Indianen ontmoette? Karl Mays ontgoocheling moet wel heel groot geweest zijn toen Buffalo Bill hem zei: “Och, mijnheer, U bent teveel idealist; alleen het recht van de sterkste en leepste geldt in deze wereld.”
          Een der andere bronnen, althans een zijn werk beïnvloedende factor is mogelijk ook het spiritisme. Zowel zijn eerste als zijn tweede vrouw deden daaraan hoewel May zich weinig hierover uitgelaten heeft.
          Wij hebben nu in het kort enkele bronnen besproken. Hierop dieper in te gaan zou ons te ver voeren. Daarom willen wij nu overgaan tot de, in hoofdzaak door blanken aangegeven eigenschappen van de Indianen-leiders, waarvan Karl May ten dele op de hoogte moet zijn geweest. Zo komen wij tot een Apache-figuur als Cochise, diens bloedbroeder en zwager Mangas Coloradas, Geronimo 20, Delgadito 21 e.a. Wij moeten niet vergeten, dat er ook andere leiders van betekenis zijn geweest. De voorloper van deze Apachenleider was Juan José 22. Hij wordt door een blanke vriend uitgenodigd op een feestje, waar zijn mannen, vrouwen en kinderen zich vermaken. “Blanke vriend heeft echter iets bedacht en laat tijdens het feest een verdekt opgesteld, met schroot geladen kanon op de volksmenigte afschieten ... en in de ontstane verwarring steekt deze blanke Juan José dood. Dit gebeurt in 1855 bij de Rio Gila en heeft meer dan 400 doden en gewonden tot gevolg.
          Het spreekt vanzelf dat vijandelijkheden hierna niet kunnen uitblijven.
          Cochise, meer tactisch strijder dan diplomaat, werd aanvoerder der Chiricahua’s; Mangas Coloradas die der Wilgen-apachen (Mimbrenjos) de laatste meer diplomaat dan strijder, hoewel ze beiden denkers en dappere krijgers waren. Het kwam voor, dat zij gezamenlijk vochten doch ook, dat ieder zijn eigen weg ging. Cochise begreep, dat de overmacht te groot werd. Daarom en voor het behoud van zijn volk wilde hij een rechtvaardige vrede en slaagde er tenslotte in met goedwillende officieren een overeenkomst te sluiten. Als tegenprestatie beschermde hij blanke posten o.m. op de butterfieldroute 23, liet brandstof bezorgen ondanks het onbehagen in eigen gelederen en tegen de wil van andere Apachen zoals de Pinal 24, Mescalero 25 en Coyoteros 26.
          Helaas waren er onder de blanken, die Cochise en zijn mannen nog steeds beschouwden als dieren, die men mocht uitroeien. Zo gebeurde het, dat Cochise ten onrechte werd beschuldigd von het ontvoeren van een jongen, die in werkelijkheid door de Pinal-Apachen was weggehaald. Bij onderhandeling hierover onder witte vlag beledigde een jonge officier Cochise en wilde hem gevangen nemen. Cochise zelf zag kans te ontsnappen, maar enkele van zijn metgezellen, waaronder de rustige broeder en raadgever van Cochise, Naratena 27, die bovendien nog ziekelijk was, werden later opgehangen. Hoe begrijpelijk is het, dat nu de wilde Indiaan bij hem bovenkwam, alles vernietigend wat hij aan blank in handen kon krijgen.
          We zien hierin een vergelijking met Winnetou, hoewel kleiner en anders van gestalte, maar die eveneens wraak zwoer bij de lijken van zijn vader en zuster.
          Toch wilde Winnetou, in samenwerking met Old Shatterhand ook vrede. Zo komen wij tot de latere bloedbroeder van Cochise, de blanke Tom Jeffords, even dapper en bedachtzaam als Old Shatterhand. Hij was Mississippi-scheepskapitein geweest; werd toen goudzoeker en daarna verkenner en koerier van het amerikaanse Unie-leger; daarna weer leidde hij de plaatselijke postdienst.
          Tom Jeffords voelde, dat ook een Indiaan recht heeft op menselijke behandeling, reden waarom hij later met veel moed het kamp van Cochise opzocht met de bedoeling om samen met hem vrede voor blank en rood te bewerkstelligen. Cochise heeft dit aangevoeld en deze twee mensen kregen eerbied, vriendschap en begrip voor elkoar.
          Er bestaat veel overeenkomst tussen Tom Jeffords en de figuur van Old Shatterhand, hoewel alleen eerstgenoemde rood haar had. Hij kon ook goed met vuurwapens overweg, leert bij Cochise boogschieten en heeft waarschijnlijk een Indiaans meisje gekend zoals Old Shatterhand Nscho Tschi kende, het zusje van Winnetou, dat ook later wordt neergeknald.
          Wij zien dus niet zozeer lichamelijke, maar wel veel vergelijkingen in geestelijke zin, waaraan als uiteindelijk doel de vredes- en menselijkheidsgedachte ten grondslag ligt.
          Maar we keren terug naar de strijd van de terecht verontwaardigde Cochise, waartoe hij wel gedwongen werd. Hij begint te drinken, laat eens een Mexicaan tot zijn nek in het zand begraven en stroop over het hoofd gooien om mieren aan te trekken. Dit is een gebeurtenis, die Karl May ook in een van zijn boeken beschrijft. De ingegraven man vervloekte Cochise in zijn stervensuur en dat maakte op hem voor lange tijd grote indruk.
          Aan de andere kant bieden de Mexicanen een bedrag voor iedere Indianenscalp, die hun wordt gebracht.
          Een andere Indiaanse marteling was het omwinden van het hoofd met vochtige riemen, waardoor de schedel ingedrukt werd wanneer zij droogden.
          Zoals gezegd wil Cochise wel anders, maar kan niet. Des te groter wordt zijn moeilijkheid, wanneer hij voor het eerst bij zijn Apache-pas kennis maakt met kanonnen, die hij voordien nog nooit heeft gezien. Zijn onoverwinnelijke stelling aldaar moet hij dientengevolge prijsgeven.
          Er dreigt gezichtsverlies, maar dit opperhoofd geeft het niet op! Na een hevige strijd en een begin van een mogelijke maag- of leverziekte wordt hij rustiger, wil in principe wel overleg, maar hoort van Delgadito en Victorio 28, onderaanvoerders van Mangas Coloradas, dat ook deze door lafhartig verraad gruwelijk vermoord is. Dit was in 1863 bij Pino Alto. Deze Mangas Coloradas wilde ook onder witte vlag over vrede praten, maar met bovenstaand resultaat.
          Wanneer wij nu nog in aanmerking nemen, dat er blanke onderhandelaars geweest zijn, die met hoofden van andere stammen overleg gepleegd hebben en deze onder witte vlag hebben ontmoet om er vriendelijk over vrede te praten, maar hun ondertussen drank met strychnine aanboden, dan tekent dat de toestand, zoals deze ongeveer in die tijd geweest zal zijn, en waarvan een toeschouwer vertelt: “De opperhoofden vallen neer met een grijns op hun gelaat, naar geen grijns van tevredenheid maar van doodsstrijd.”
          Wederzijdse wreedheden, haat, onbegrip, wantrouwen, misdadigheid en corruptie houden aan, ook bij bekende officiële figuren zoals William Oury 29, die vindt, dat alle Indianen in zijn gebied maar gedood of verdreven dienen te worden. Dan is er ook nog de invloed van het Mexicaanse deel der bevolking van Tucson, dat als elke Mexicaan de Indianen sinds eeuwen haat
          Wij willen en mogen de toestand echter niet eenzijdig bezien, hoewel de eenzijdigheid naar de ongunstige kant nog overweegt en dit voorlopig nog wel zo zal blijven.
          Maar toch komen er mensen met goedwillende, ruimere en onafhankelijke inzichten; zij begrijpen ook de moeilijkheden van de Indianen beter. Hiertoe behoort dan Tom Jeffords. Hij begrijpt, dat het zo niet mag doorgaan, leert Apachentaal en begeeft zich na het aanleggen van rooksignalen naar Cochises kamp, geheel alleen.
          De ontmoeting, de daarna gevoerde gesprekken en het leven daar wordt ons zo goed beschreven door de amerikaanse auteur Elliot Arnold 30 in diens werk “Bloodbdbrothers” Dit boek is o.a. door het Karl May Verlag in goed duits vertaald. Deze schrijver leeft nog en heeft zijn gegevens voornamelijk ontleend aan gegevens en geschriften van degenen, die deze tijd hebben meegemaakt of er later van hebben gehoord.
          Een deel van deze gegevens kan Karl May van geheel andere zijde in handen hebben gekregen en bewerkt.
          Wanneer tenslotte Cochise in 1874 sterft, laat May ook Winnetou sterven. Cochise was toen ca. 60 jaar.
          Daartegenover staat, dat onze Karl May soms in het wilde weg (of zijn onze gegevens niet juist?) data opgaf, zoals hij bv. aan iemand omstreeks 1900 schrijft, dat Winnetou in 1840 geboren is. Hij weet dan blijkbaar niet, dat Cochise 25 jaar ouder was dan Winnetou, maar nog eens: deze data zijn niet van zoveel belang, wel de bedoeling der verhalen.
          De gesprekken tussen Cochise en Tom Jeffords (vergelijk dus Winnetou en Old Shatterhand) leiden voorlopig tot een eerste resultaat; de postrijders naar Tucson worden met rust gelaten! De strijd gaat verder nog voort en tenslotte komt Tom Jeffords met de oude, menselijke en gelovige Howard 31 in aanraking, waarna de vrede zal konen, hoe die dan ook zal worden uitgevoerd en gehandhaafd. Deze vredesgedachte door het driemanschap Cochise-Jeffords-Howard is dus tevens een der pijlers, waarop Karl Mays werk berust.
          Cochise zal tot zijn dood steeds bij zijn volk blijven, daarbij ook invloed hebbende op andere stammen.
          Onze Winnetou wordt in Karl Mays boeken in verschillende streken van het geweldig grote westelijke deel van Noord-Amerika geplaatst, denk maar eens aan de ver afgelegen plek, waar hij sterft. Hij moest dan ook zijn Apachen aan een ander overlaten.
          De bedoeling van Karl May moet dan ook wel zijn geweest te laten zien, dat Winnetou het zinnebeeld is van alle goede indianen-eigenschappen door het Indiaanse ras als een eenheid te zien op basis van vrede en samenwerking inplaats van op basis van strijd. Dit geldt ook voor de blanken. Die gedachte in de vorm van de Winnetou-figuur moet dan ook niet op beperkt gebied blijven, maar overal kunnen komen, in één verhaal zelfs tot overzee.
          Cochise echter was een realiteit en samen met de dappere Tom Jeffords hebben deze vredesfiguren dezelfde instelling gehad, daarbij veelal onbegrepen en veroordeeld door vriend en vijand. Toch hebben zij de ontzaglijke moed gehad om door te zetten en hun machtige vredeswerk heeft onze vriend Karl May net zo kunnen inspireren als het op ons indruk maakt. Waren wij maar allen zo, dan was er geen Midden-Oosten, Biafra, Vietnam of rassenprobleem.

          Tot slot wil ik enkele woorden aanhalen, die Karl May gezegd heeft in zijn laatste, grote rede 32 te Wenen, één week voor zijn dood.

“GOED ZIJN IS BETER DAN GEWELD”

“VERGEVENSGEZINDHEID IS BETER DAN DOODSLAG”

“HET PRACHTIGSTE DAT WE KENNEN IS LIEFDE VOOR ELKAAR”

“STRIJD MAG ALLEEN GEVOERD WORDEN TEGEN HET KWADE”



[1]Deze getypte tekst (vermoedelijk uit 1967) is het ontwerp voor een artikel, waarschijnlijk voor het blad De Kiva. Of het artikel daadwerkelijk in dit ‘tijdschrift voor Nederlandse indianen- en Karl-May-fans’ is verschenen, weten we niet (de website heeft helaas geen inhoudsopgave van eerder verschenen artikelen), maar ik vermoed van niet, aangezien het typoscript uit het archief van dhr. Heyink/Heijink komt. Anders had hij waarschijnlijk het artikel uit De Kiva gescand.
Hoe dan ook, de heer Heyink/Heijink heeft het typoscript van de heer Van Bommel van een eveneens getypte inleiding voorzien:

L.S.
          Hoewel Karl May behoort tot de meest gelezen schrijvers is er toch over het algemeen veel gerucht om hem heen. Halve waarheden en verdachtmakingen circuleren nog regelmatig in de dag- en weekbladen en daarom is het toe te juichen, dat Drs. L. van Bommel deze kleine “apologie” heeft samengesteld.
          Wanneer men weet welk een grote hoeveelheid literatuur in Duitsland is verschenen over de figuur van Karl May, zijn boeken en de invloed ervan op jong en oud (Karl May is persé niet de jongensboekenschrijver, waartoe de nederlandse uitgevers hem hebben gemaakt) dan kan ongetwijfeld voor ons land dit geschriftje zijn nut hebben.
          Dat het vele lezers moge vinden!
                                J.Heyink.

[2](Bij mij) onbekend.
[3]De Ponca’s waren een indianenstam die in de 16e eeuw door de blanken werden verdreven vanuit hun woonplaatsen in het huidige Virginia en North en South Carolina; zij zochten hun toevlucht eerst in het huidige Minnesota en, naarmate de genocide verder ging, in het gebied waar de Niobrara uitmondt in de Missouri (in de huidige staten South Dakota en Nebraska), waar zij vreedzaam leefden van landbouw (maïs) en de jacht, tot zij ook vandaar verdreven werden naar het zogeheten Indianenterritorium (het huidige Oklahoma), waar een kwart van de stam reeds in het eerste jaar bezweek aan de voor hen ongewone hitte. De stam telde bij de volkstelling van het jaar 2000 nog 4.858 leden.
Wie het betreffende opperhoofd was dat in een grafheuvel werd bijgezet, is (mij) onbekend. Overigens werd Winnetou níét in een grafheuvel begraven, maar in een rotsspleet, net zoals zijn voorbeeld Cochise (zie noot 5).
[4]Ferdinand Carel de Rooy (* 9 juni 1919 , † 4 maart 1998) schreef in 1955 het boek „Old Shatterhand, Kara Ben Nemsi, ook voor U!”, het eerste Nederlandse boek over Karl Mays leven en werk, en gold jarenlang als de grootste Karl May-kenner van Nederland. In het dagelijks leven was hij leraar Frans (en promoveerde in 1958 op een vita van Sint-Hubertus (Hubert Le Prevost)). Tussen 1962 en 1966 gaf hij de bekende, vijftig delen tellende serie Karl May-pockets uit bij Prisma/Het Spectrum.
[5]K’uu-ch’ish (Eik), in het Engels verbasterd tot Cochise (* ± 1805 , 8 juni 1874) was de aanvoerder van de Chihuicahui, een onderafdeling van de Chiricahua Apaches. Een van de leiders van een van de laatste grote opstanden van de Apaches (1861-1872) tegen de dreigende vernietiging door de „bleekgezichten”. Na zijn dood (waarschijnlijk aan maagkanker) werd hij begraven in een rotsspleet boven een van zijn favoriete pleisterplaatsen in de Dragoon Mountains in Arizona; alleen zijn eigen volk en Tom Jeffords wisten de exacte locatie, maar namen dit geheim mee in hun graf.
[6]La-choy Ko-kun-noste (Rode Mouw), in het Spaans vertaald als Mangas Coloradas (* ± 1793 , † 18 januari 1863) was de aanvoerder van de Mimbreño-Apaches; hij was niet Cochise‘s zwager, maar schoonvader: zijn dochter Dos-teh-seh („Iets wat al gekookt is bij het kampvuur”, * 1838) was getrouwd met K’uu-ch’ish en schonk deze twee kinderen, Taza (* ± 1843 , † 26 september 1876) en Naiche (ook wel Nachise genoemd, * ± 1856 , † 16 maart 1919).
In de zomer van 1862 had La-choy Ko-kun-noste een schotwond opgelopen in zijn borst, tijdens het herstel waarvan hij om een wapenstilstand verzocht. In januari 1863 ging hij in op een uitnodiging van het Amerikaanse leger om over voedsel in ruil voor vrede te komen onderhandelen op Fort McLane (het huidige Apache Tejo/N.Mex.), maar de verraderlijke brigadegeneraal Joseph Rodman West nam hem gevangen en hem executeren: de hele nacht van 17 op 18 januari 1863 lang werd La-choy Ko-kun-noste ter dood gemarteld: vastgebonden liggend op de grond bewerkten de soldaten hem met roodgloeiende bajonetten totdat hij bewoog om zo zijn „ontsnappingspoging” te simuleren. Opstanden van de diverse Apachestammen waren het logische gevolg van dit verraad en deze moord en die opstanden gaven de Amerikanen een goed „excuus” om de laatste hand te leggen aan de genocide van het rode volk.
[7]Thomas (Tom) Jonathan Jeffords (* 1 januari 1832 , † 19 februari 1914) was een Amerikaanse scout, agent voor indiaanse zaken, hulpsheriff van Tombstone/Ariz., goudzoeker en koetsier van postkoetsen. Na het verraad aan Cochise (het zogeheten Bascom-incident, 1861) en Mangas Coloradas begonnen de Apaches de postkoetsen van de „bleekgezichten” te overvallen; Tom Jeffords wist hieraan door te onderhandelen met K’uu-ch’ish/Cochise een einde te maken en uiteindelijk werd hij diens bloedsbroeder. De vriendschap tussen hen beiden zou een paar jaar later, in 1872, een einde maken aan de opstand van de Apaches (maar helaas ook hun definitieve ondergang inleiden).
[8]Sir David Lyndsay/Lindsay of the Mount (* ± 1490 , † 18 April 1554) was een Schots dichter en hoveling.
Door een terloopse opmerking in „Freuden und Leiden eines Vielgelesenen” is het echter veel waarschijnlijker dat May bij de figuur van zijn „mede-reiziger” geïnspireerd werd door de Australische ontdekkingsreiziger David Lindsay (* 20 juni 1856 , † 17 december 1922).
[9]De Katholieke Encyclopaedie was een uitgave van Uitgeversmaatschappij Joost van den Vondel uit Amsterdam (1e druk van 1933 tot 1938; er heeft nog een tweede druk bestaan, maar toen was het uit met de pret).
[10]Bedoeld wordt de Engelse ontdekkingsreiziger, archeoloog, spijkerschriftdeskundige, politicus en diplomaat Sir Austen Henry Layard GCB PC (* 5 maart 1817 , † 5 juli 1894), die Nimrud en Niniveh met de bibliotheek van Assurbanipal (* 685 , † 631 v.C.) ontdekte.
[11]In diverse Karl-May-Jahrbücher zelfs, maar niet allee beschrijvingen zijn even betrouwbaar. Zo’n beetje alles wat Klara May (* 4 juli 1864 , † 31 december 1944) en Gustav Urban Gustav Paul Urban (* 27 april 1884 , † 21 oktober 1969) in deze jaarboeken hebben geschreven, kan naar het rijk der fabelen worden verwezen.
[12]Louis Eugène Gabriel (de) Ferry de Bellemare Ferry (auteursnaam: Gabriel Ferry, * 29 november 1809 , † 5 januari 1852) was een Frans auteur van m.n. avonturenromans. Zijn bekendste werk is „Le coureur des bois” (1850), dat door Karl May is bewerkt tot „Der Waldläufer” (Gesammelte Werke, deel 70; Karl May-pockets, deel 40).
[13]Volgens de huidige stand van het onderzoek heeft May Saksen – behoudens af en toe een uitstapje naar buurland Bohemen – in zijn jonge jaren nooit verlaten. Havens en Amerika vallen dus af. Wel heeft hij als jongen sporadisch lessen Engels gevolgd, tezamen met emigranten uit Hohenstein en Ernstthal, en daar komt zijn rudimentaire kennis van het Engels vandaan.
[14]De herkomst van Mays geweren is al lang voor dit artikel opgehelderd: de Zilberbuks en de Berendoder zijn in 1896 in het diepste geheim gemaakt door de Dresdner geweermaker Oskar Max Fuchs (* 20 maart 1873 , † 1954), die in 1902 ook Mays Henrygeweer importeerde. Dit alles heeft Fuchs al in 1937 ter gelegenheid van zijn 50-jarige jubileum als geweermaker verklapt.
[15](Bij mij) onbekend.
[16]Niet James, maar Ferdinand Carl Ludwig Pfefferkorn (* 5 august 1841 , † 8 maart 1916) was een schollvriendje van May in Ernstthal, die later emigreerde naar Amerika en barbier en arts werd in Lawrence/Mass. In 1908 bezochten May en zijn tweede echtgenote Ferdinand Pfefferkorn en diens tweede vrouw Therese in die plaats.
[17]Bedoeld wordt Matthäus Aurelius Hampel, de cantor emeritus uit Klotzsche bij Dresden. Sinds het artikel van Heinz Stolte, „Die Affäre Stollberg, Ein denkwürdiges Ereignis im Leben Karl Mays” (Jahrbuch der Karl-May-Gesellschaft 1976, pp. 171-190) wordt algemeen aangenomen dat Karl May met deze gekke cantor emeritus zichzelf neerzette: zoals Hampel er steevast de nadruk op legde dat hij geen cantor, maar cantor emeritus was, volhardde Karl May er in zijn onderzoek naar de dood van Emma Pollmers oom in Stollberg in dat hij een beambte, „nog iets hoger dan een officier van justitie”, was. Zoals Hampel voortdurend bezig was met het schrijven en componeren van de – uiteraard onvoltooide – opera „Winnetou”, zo schreef en componeerde May het (onvoltooide?) „Die Pantoffelmühle. Original-Posse mit Gesang und Tanz in acht Bildern von Karl May. Musik von demselben”.
[18]Een roverroman van Goethe’s zwager Christian August Vulpius (* 23 januari 1762 , † 26 juni 1827).
[19]Buffalo Bill was de naam waaronder de bizonjager William Frederick Cody (* 26 februari 1846 , † 10 januari 1917) bekend werd. Later reisde hij met een zogeheten Wild-West-show door de wereld; bij een optreden in Dresden in 1906 leidde hij Karl May en zijn tweede echtgenote rond door zijn „indianententoonstelling”.
[20]Goyaałe, Gokhlayeh of Goyathlay („de Gapende”, * 16 juni 1829 , † 17 februari 1909), later Geronimo genoemd was krijgsopperhoofd en medicijnman van de Bedonkohe-Apaches, die lange tijd met succes vocht tegen de blanke Amerikanen, maar zich uiteindelijk in 1886 toch gewonnen moest geven, toen hem nog 36 van zijn 500 krijgers restten.
[21]Tudeevia, ook wel Dudeevia, door de Mexicanen Delgadito („de Dunne”) genoemd, werd na de moord op La-choy Ko-kun-noste (Mangas Coloradas) opperhoofd van de Mimbreño-Chihenne, een Apachestam. Delgadito
[22]Juan Josè Compá (* ± 1786 , † 22 april 1837) was van 1794 tot zijn dood opperhoofd van de Bedonkohe-Apaches en later ook van de Mimbreño-Chihenne ten zuiden van de Rio Gila; oom van Tudeevia/Delgadito. Zijn moordenaar bij Santa Rita del Cobre was een Amerikaan, genaamd John Johnson († 1852). De ware toedracht van het bloedbad was toch iets anders dan Van Bommel hier beschrijft: de indianen kwamen om met de verraderlijke „bleekgezichten” te onderhandelen, niet om te feesten, al werden ze natuurlijk wel dronken gevoerd met „vuurwater”.
[23]Postkoetsroute (officiële naam Overland Mail Company) van St. Louis/Mo. en Memphis/Tenn. naar San Francisco/Ca., die bestaan heeft van 1858 tot 1861.
[24]De Pinal (ook Pinaleños genaamd) waren een onderafdeling van de San Carlos Apaches in de buurt van het huidige Tucson/Ariz.
[25]De Mescaleros was een Apachestam in het huidige New Mexico, die ons het bekendst in de oren klinkt, omdat Intschu-tschuna en Winnetou het opperhoofd ervan waren, althans, volgens Karl May.
[26]De Coyoteros waren een onderafdeling van de White Mountain Apaches in het huidige Colorado en Kansas tot ze verder westwaarts werden gedreven door de oprukkende blanken.
[27]Ook Coyuntwa genaamd; de moord op hem en andere familieleden van K’uu-ch’ish/Cochise geschiedde op 19 februari 1861 door luitenant George Nicholas Bascom (* 1837 , † 21 februari 1862).
[28]Bidu-ya (* ± 1825 , † 14 oktober 1880), door de „bleekgezichten Victorio genaamd, was het opperhoofd van de Mimbreño-Chihenne en de Chiricahua. Hij werd vermoord door het Mexicaanse leger in de Slag bij Tres Castillos in de provincie Chihuahua.
Het is warempel niet zo’n wonder dat de Apaches niets van de blanken begrepen: zolang Mexico als Nieuw-Spanje een kolonie van Spanje was, waren er zelfs vriendschappelijke banden tussen rood en blank, maar vanaf het moment dat Mexico onafhankelijk werd (14 augustus 1821), begonnen de troepen van de nieuwe republiek de Apaches meedogenloos te achtervolgen. En Mexico omvatte op dat moment ook de latere Amerikaanse staten California, Nevada, Utah, Arizona, New Mexico (tot 1848) en Texas (tot 1836), precies de leefgebieden van de Apaches, die geen kant op konden.
[29]William Sanders Oury (* 13 augustus 1817 , † 31 maart 1887) was een Amerikaans soldaat die meevocht in de onafhankelijkheidsoorlog van Texas, lid van de Texas Rangers, later veehouder te Tucson/Ariz. en van 1863 tot 1871 de eerste burgemeester van die stad. Zowel als soldaat als als veehouder organiseerde hij strooptochten tegen de Comanches in Texas en tegen de Apaches in Arizona. Hij was verantwoordelijk voor het bloedbad van Camp Grant op 30 april 1871, waarbij onder zijn leiding een groep inwoners van Tucson 144 ongewapende Aravaipa-Apaches, vooral vrouwen en kinderen vermoordde en 28 kinderen als slaven meenam naar Tucson.
[12]Elliot Arnold (* 13 september 1912 , † 13 mei 1980) was een Amerikaans journalist, roman- en draaiboekschrijver. Zijn bekendste roman is „Blood Brother” (1947).
[31]Oliver Otis Howard (* 8 november 1830 , † 26 oktober 1909) was een generaal in het Amerikaanse leger die diende in de Amerikaanse Burgeroorlog (divisiecommandant in de eerste Slag bij Bull Run en de slag bij Gettysburg) en de Amerikaans-indiaanse oorlogen. Tevens is hij de stichter van de Howard-universiteit waar hij enige jaren rector van was. Hij stond inderdaad bekend als een zorgzaam, humaan en diepgelovig mens.
[32]Empor ins Reich der Edelmenschen!”, op 22 maart 1912 in de Sofiensaal in Wenen. Onder de circa 2000 toeschouwers bevonden zich Nobelprijswinnares Berta von Suttner (* 9 juni 1843 , † 21 juni 1914) en naar verluidt de jonge zwerver Adolf H. (* 20 april 1889 , † 30 april 1944).



Terug naar de Nederlandstalige bibliografie.

Terug naar de Karl May-startpagina.

Terug naar de Apriana-startpagina.