Het grote opperhoofd laat u groeten
Arendsoog telt niet mee

door Lies Neve 1



De heer Jacobus Heijink: „Dan zeggen ze soms: kijk hem eens, wat kinderachtig.
Maar ik laat ze fijn lachen.”

HIJ staat met een indianentooi van adelaarsveren in zijn hand en ik kan het niet laten: „Toe, meneer Heijink, zet u hem nou eens óp”. Maar dan ben ik bij de heer Jacobus Heijink toevallig helemaal aan het verkeerde adres, want je moet werkelijk een goed onderscheid maken tussen mensen die indiaantje willen spelen en mensen die van de indianen een studie maken. Hij legt het me uit in zijn huis in Bennekom, vlak bij de Linnaeushof, waar in mei of juni zijn indianendorp zal staan.

• Een paar jaar geleden was hij nog gewoon boekhandelaar in Rotterdam. Aardige zaak, aardige indianenboeken ook. Daar al zat het de heer Heijink behoorlijk dwars: waarom moeten indianenboeken in de boekhandel altijd in de kinderhoek staan? Hij zegt, in Bennekom: „Weet u eigenlijk wel dat alle oude indianenboeken van oorsprong romans voor volwassenen zijn?”

Eerlijk is eerlijk, daar heb ik nooit bij stil gestaan, want de indianenboeken en -films vind ik stiekumpjes allemaal wel spannend en gelukkig vindt de heer Heijink dat zeer begrijpelijk. „Een Arendsoog is in de ogen van echte indianenvrienden natuurlijk van weinig waarde, helemaal uit wetenschappelijk oogpunt bekeken. Niet dat ze niet spannend zijn, maar bij mij staan ze in de gruwelkamer. Ik heb zevenhonderd boeken over indianen en die boeken die – ik zal maar zeggen die boeken als Arendsoog – niet helemaal passen bij mijn studie heb ik apart gezet.”

Verkocht

De heer Heijink is al vanaf zijn kindertijd aan de indianen blijven „hangen”, zoals hij zelf, nu zestig jaar oud, zegt. Dat is niet onbekend gebleven. Daarom kwam men uiteindelijk bij hem terecht, toen de directie van de bloementuin Linnaeushof in Bennekom het plan kreeg op een ongebruikt stukje grond een indianendorp te bouwen.

Het heeft – met het dreigende faillissement van de bloemenhof – nog even gespannen of het dorp er zou komen of niet. En de heer Heijink had ondertussen zijn boekhandel in Rotterdam verkocht en zat al in Bennekom, in afwachting van de tijd dat hij bedrijfsleider zou worden van het indianendorp dat onder zijn leiding tot stand moest komen.

Maar het dorp komt er, in ieder geval een stukje ervan, déze zomer nog. „Ik had toch al het idee om met de spullen die ik heb verzameld een soort museumpje te beginnen”, zegt de heer Heijink, pratend over zijn verzameling moccassins, jassen en hoofdtooien. „Het is natuurlijk een hobby van me en daarom is dit, dit dorp, nog veel mooier.”


Bij een overval op een indanendorp, in 1876, werd dit hertenleren jasje buitgemaakt. Het is gedragen door de kleinzoon van de grote Sitting Bull en via Duitsland kwam het uiteindelijk terecht in het huis van de heer en mevrouw Heijink in Bennekom. Straks is het te zien in het indianendorp in de Linaeushof.

Een Paw-waw

• Als zijn plannen helemaal zijn uitgevoerd staan er in de Linnaeushof van een aantal indianenstammen twee tot drie gebouwen, waarin kinderen kunnen spelen en zich indiaan kunnen voelen. „Dat wist u misschien ook niet”, vertelt de heer Heijink, „maar heel veel indianen woonden in huizen, niet in tenten. De mensen die de tipies hadden – het woord wigwam is fout 2 – waren alleen de prairie-indianen, omdat ze iedere keer weer verhuisden.”

Een paar van die tipies – nagemaakt naar origineel voorbeeld – komen er ook te staan in de Linnaeushof, met een raadsvuur om zonodig een paw-waw te kunnen houden. „De kinderen krijgen een soort hoofdtooi op en ze kunnen hun gezichten beschilderen”, zegt de man van het dorp. „Ze mogen hier alles doen wat ze thuis niet mogen. Natuurlijk gaan we ook een vuurtje stoken en daarop iets bakken. Alles mag, maar er is uiteraard wel een beetje toezicht.”

Wel foto’s

Een dorp dus voor kinderen, niet in de eerste plaats voor volwassen mensen? „Helemaal niet”, zegt de heer Heijink, „we gaan als grote mensen geen indiaantje spelen. In Frankrijk bijvoorbeeld, gebeurt dat wel. Daar zijn indianendorpen en Wild-West-stadjes waar mensen op paarden kunnen rijden en lasso kunnen werpen en zo. Daar wordt veel gebruik van gemaakt, vooral door tieners. Dat moeten die mensen zelf weten, maar het dorp hier wordt speciaal voor de kinderen. Voor de volwassenen doen we ook wel iets: ze kunnen zich in originele indianencostuums laten fotograferen. Maar we gaan geen indiaantje spelen, dat is onzin.”

• Daarom wil hij ook die hoofdtooi van adelaarsveren niet op het hoofd zetten. „Dan zeggen ze weer: wat kinderachtig, kijk hem eens”, vindt hij. „Ik heb het al vaak gehoord en ik heb iedereen fijn laten lachen. Op het ogenblik willen de mensen wel toegeven dat ze het ook wel prettig vinden zich met de Indianen bezig te houden.”

Hij praat over Duitsland, waar jaarlijks de „Karl May Spiele” worden opgevoerd, hij praat over zijn eigen kringetje van indianenvrienden, voor wie hij een maandblad vol wetenswaardigheden samenstelt.

Tot in Finland

– Hoe zou het nu komen dat indianen op veel mensen zo’n indruk maken, meneer Heijink?
„Het is een heel interessant volk, niet”, zegt de man die nu met een grote dansrozet van gekleurde veren op schoot zit. „Indianen hebben iets wat Zoeloes niet hebben, om maar even een ander volk te noemen. Je zult nergens een Hottentottenstudiegroep vinden, maar mensen die van de indianen een studie maken heb je tot in Finland. En daarbij horen dan ook artsen en meesters in de rechten en hoogleraren.”

Geïmporteerd

De heer Heijink is geen man die op zijn stoel zit te springen als er op het bioscoopdoek indianen met tomahawks rondrennen, want daarover zegt hij: „Die films en veel boeken zijn vaak echt niet gemaakt volgens de werkelijkheid. Die massale gevechten die je in films ziet zijn bijna nooit vóórgekomen. Indianen die een heldhaftige daad wilden verrichten gingen hoogstens met vijf of tien collega’s op het oorlogspad. Ze vielen één keer aan en trokken zich dan weer terug.”

• Na die daad mochten zij zichzelf belonen met een extra adelaarsveer op het hoofd en zo kon het gebeuren dat een opperhoofd een reeks veren had die afhing tot op de grond. De traditie wordt nog steeds in ere gehouden, maar de moeilijkheid is alleen dat de arenden in Amerika niet meer geschoten mogen worden. Vandaar dat nu uit alle delen van de wereld adelaarsveren worden geïmporteerd, om de indianen van nu toch gelegenheid te geven hun hoofdtooien origineel te houden.

Tradities en de bestudering ervan zijn serieuze zaken en dat beseffen de indianen van nu zelf ook. Door Duitsland reist momenteel een gezelschapje van drie jonge indianen, die de Duitsers laten zien hoe zij kleden wezen en zilver smeden.

Schoonheidskoningin

De heer Heijink heeft geprobeerd het groepje voor enige tijd te „strikken” voor het indianendorp in de Linnaeushof. Het programma zat vol en er is een losse afspraak gemaakt voor volgend jaar.
„Een heel interessant groepje”, zegt de man van de plannen. „Er is zelfs een schoonheidskoningin bij, uit Taos Pueblo – dat is een begrip in indianenkringen. In die plaats staat een gebouw van indianen, dat moet je eenvoudig gezien hebben als toerist.”
Ondertussen laten hij en zijn vrouw kinderen van vier lagere scholen in Bennekom indiaanse pijpezakken en draagwiegjes maken. Ze zijn bestemd voor het dorp, om er daarmee te spelen en het helemaal „echt” te houden. Straks stapt hij er rond als bedrijfsleider, zonder zijn hoofdtooi, zonder oorlogskleuren – want het blijft voor hem een serieuze zaak.

• Het Grote Opperhoofd laat u vriendelijk groeten.


[1]In: Algemeen Dagblad, 9 mei 1967.
[2]Het woord wigwam is niet fout, maar het is iets geheel anders dan een tipi!



Terug naar de Nederlandstalige bibliografie.

Terug naar de Karl May-startpagina.

Terug naar de Apriana-startpagina.