Palet der Lage Landen
„Soms kijken ze of je ’n afwijking hebt”

Boekhandelaar (Hobby: Indianen) wordt „opperhoofd” in Bennebroek

anoniem 1


Ex-boekhandelaar J. HEYINK uit Rotterdam weet een heleboel van Indianen. In zijn woning in Hillegersberg bewaart hij felgekleurde moccassins, gordels, boeken, prenten over roodhuiden, een tomahawk, vredespijp en een jasje van de kleinzoon van „Sitting Buil”. Wat bevreesd voor mijn scalp bel ik dan ook bij hem aan. Maar niemand komt me in de gang „ugh”-roepend, en zwaaiend met een strijdbijl tegemoet. De heer Heyink ziet er (een beetje tot mijn teleurstelling) niet uit als een Winnetou, hij bekijkt me zelfs niet spiedend vanachter een hangplant, maar is gastvrij, draagt een gewoon grijs kostuum en vat zijn hobby bijzonder serieus op.

„Als je op mijn leeftijd een boekwinkel binnenstapt en je vraagt om een Indianenboek, dan kijken ze soms of je een afwijking hebt,” vertrouwt hij me in de woonkamer toe. „Of ze verwijzen je naar de kinderboekenafdeling. Maar het is gewoon een studie van me, zoals anderen liefhebberen in planten of geïnteresseerd zijn in de leefwijze van Eskimo’s. Ik geef ook een krantje uit over Indianen. Dat heet „De Kiva”. Het is een contactorgaan voor Indianen- en Karl May-vrienden in Nederland, met veel belangwekkende artikelen. We tellen niet alleen scholieren, maar ook studenten en professoren onder de lezers.”

Het verzamelen van Indianenlectuur en materiaal wordt voor hem straks moor dan alleen maar een hobby. Inhakend op de successen in het buitenland wil de eigenaar van de „Linnaeushof” in Bennebroek, bloembollenkweker H. W. Roozen op een voormalig bollenveld een brokje wildwest laten herleven. Voor zijn idee vond hij bij de Rotterdamse boekhandelaar gretig gehoor.
De plannen zijn nu rond: in Bennebroek zal een indianendorp verrijzen, met echte tepees, wigwams totempalen en een wildwest-spoorlijn eromheen. Indianenkenner Heyink is aangesteld als „opperhoofd” van het kamp en dat is een vaste betrekking, waarvoor hij zijn boekhandel graag aan kant heeft gedaan.

Grondig

„Opperhoofd” Heyink wil het allemaal grondig gaan aanpakken in Bennebroek. Zo zullen schoolkinderen worden ingeschakeld bij het maken van allerlei indiaanse voorwerpen. En de tenten en hutten, die op de Bennebroekse prairie komen te staan, zullen zo getrouw mogelijk worden nagebootst.
„Er is en er wordt nog ontzettend voel onzin over indianen verkocht,” meent Heyink. „Bij het woord Indiaan denkt men meestal alleen maar aan met veren getooide man, die de hele dag niets anders doet dan scalperen.
Er komen er in het Indianendorp ook speciale attracties, zoals oen ponybaan voor kinderen en demonstratie pijl-en-boogschieten. Maar daarnaast zullen de bezoekers ook een beeld krijgen, hoe die indianen vroeger werkelijk leefden. Niet elke stam woonde bijvoorbeeld in tepees of wigwams. De Iroquois bouwden „long houses”, de Navajo’s huisden in „hogans” en al die verschillende types zullen in het dorp te zien zijn. Ook komt er een Kiva, een ondergrondse Indiaanse vergaderruimte, waar vroeger de mannelijke stamleden bijeenkwamen. Verder wordt er een blokhut gebouwd, waarin de verzameling van de heer Heyink een plaats krijgt. „Zo gaat er tevens nog een oude wens van mij in vervulling”, zegt hij”, want vroeger heb ik wel eens meer aan een museum voor die spullen gedacht.

Jongensboeken

WIE of wat heeft de belangstelling van de heer Heyink voor de fiere krijgers van het wilde westen gewekt?
„Jongensboeken”, zegt hij. „Karl May Cooper en Aimard. Echte avonturenromans natuurlijk, maar toch is die sfeer in bijvoorbeeld die boeken van Karl May héél goed getroffen. Die man wist waar hij over schreef. Zijn boeken waren eigenlijk ook voor volwassenen bestemd. Wel een groot verschil met veel boeken van nu, waarin alleen maar nonsens over Indianen staan. De Apache-taal die Karl May gebruikte was geen fantasie. Iemand heeft die woorden uit zijn boek eens opgeschreven en is ermee naar een Apachenstam gestapt. Ze verstonden hem.”

Jasje

DE Rotterdamse verzamelaar heeft veel contacten met indianenhobbyisten elders in het land, ook in het buitenland. Zo kwam hij in het bezit van een hertenleren jasje, dat eens door de kleinzoon van „Sitting Bull” – een van de legendarische opperhoofden – moet zijn gedragen. Volgens de overlevering heeft een cavaleriesoldaat het buitgemaakt tijdens de overval op een kamp. Ook bezit de heer Heyink een aantal unieke prenten, schetsen van indianen door een Duitse tekenaar uit het begin van de vorige eeuw gemaakt op een expeditie in de west. „Nauwkeurig tot in de kleinste details”, zegt de heer Heyink. „En hier, een stel mocassins. Helemaal gaaf, alleen heeft de drager er het kralenmotief aan de bovenkant in de vorm van een Amerikaanse vlag – afgerukt. Misschien omdat een familielid van hem door een soldaat was gedood. Wie weet wat voor een tragedie achter die stukjes leer schuil gaat.”

De heer Heyink weet alles van Indianen. „Een sympathiek volk, vindt hij.” Wat wisten ze vroeger van de cultuur, van het geestelijk leven van die mensen.. Als ze een Indiaan zagen, schoten ze op hem.” Hij laat me een tomahwak zien en overhandigt me dan een vredespijp.

Kleine en grote bleekgezichten zijn steeds welkom in de Bennebroekse wigwam van de heer Heyink.


[1]In: Trouw, 25 januari 1967.



Terug naar de Nederlandstalige bibliografie.

Terug naar de Karl May-startpagina.

Terug naar de Apriana-startpagina.