De Indiaan moet de kinderkamer uit …

anoniem 1


Een dorp in Bennebroek

In de Linnaeushof in Bennebroek wordt een Indianendorp aangelegd. Een terrein vol tipi’s (wigwams), een Semolehut, een Apachehut, een Kwakiutlhuis, een dodenstellage, zweethut, huidenrek en een Kivi. De Rotterdammer J. Heyink heeft het dorp ontworpen en hij garandeert dat het allemaal authentiek wordt. Hij kan dat garanderen, omdat hij een grote kennis heeft van de Indianen van Noord-Amerika.
Het Indianendorp zal, naar men hoopt, op 1 april geopend worden. De directie van de Linnaeushof gaat het exploiteren en de heer Heyink wordt er de bedrijfsleider van. „Het dorp is in de eerste plaats opgezet voor kinderen, maar ook volwassenen zullen er veel interessants vinden,” zegt hij. „Als het loopt gaan we rondom het terrein een miniatuur-spoorlijntje aanleggen en laten we daar zo’n wild-west-locomotief over rijden met baanschuiver.”
Wat J. Heyink over zijn Indianen-hobby te vertellen heeft, staat hieronder.


Ex-boekhandelaar J. Heyink vindt dat de roodhuid onrecht wordt aangedaan

EX-BOEKHANDELAAR J. HEYINK (60) vindt dat de Indiaan de kinderkamer uit moet. Het moet uit zijn met die flauwekul van ‘ugh’ en ‘oef’ en ‘jij, blanke broeder roken mijn vredespijp en begraven die strijdbijl, ugh!’ De Indiaan uit het jongensboek is een lachwekkende verhaspelaar, een karikatuur. De roodhuid wordt daarmee onrecht aangedaan, vindt J. Heyink.

Hij zegt: „Niet alleen, dat hij een raar taaltje uitsloeg in de jongensboeken en in de wild-west-films, nee hij werd ook altijd nog als een uiterst louche individu afgebeeld, die de blanke met allerlei gemene sluwe trucjes naar het leven stond. Dat is een volslagen verdraaiing van de waarheid natuurlijk. Niet de Indiaan was in het wilde westen de ondeugd, dat was veeleer het gedegenereerde mensensoort dat we als kolonisten kennen. Zij, de blanken, brachten aan de Indianen die gezonde natuurmensen waren met eigen culturen, zulke blanke verworvenheden als pokken, influenza, geslachtsziekten. Vergeet het vuurwater niet! De blanken verdreven de Indianen van hun landbouw en jachtgronden, ze moordden de bisons uit. Ja, een lekker stelletje! Als je het nu als blanke allemaal weer leest, schaam je je ogen uit je hoofd.”

Hoewel hij zelf daar geen reden toe heeft. Want de heer Heyink is een man, die er dagelijks voor ijvert om het aanzien van de Indiaan in de blanke wereld te vergroten. Hij doet dat o.m. door het samenstellen en versturen van het maandblad De Kiva – dat is het contactorgaan van de gelijknamige vereniging van Indianen en Karl May-vrienden in Nederland – en door het vergaren van allerhande documentatie over de Indianen van Noord-Amerika.

Want de laatsten, dat zijn de rode broeders die we uit de boeken kennen: de Cherokees, de Crows, de Zwartvoeten, de Seminoles, Cheyennes, Navajo’s en – natuurlijk – de Apaches.

Geronimo

Indianenkenner Heyink weet van iedere soort de bijzonderheden te vertellen: „De Crows waren vechtlustig en hadden voortdurend knok met de Sioux; die twee stammen konden elkaar over en weer nu eenmaal niet zetten. De Cherokees waren al half beschaafd; ze bezaten landerijen en hadden negerslaven – dat laatste stuk ‘beschaving’ hadden ze natuurlijk van de blanken overgenomen – en de Apachen dat waren de beste strijders. Geboren krijgers en speurders waren het. Ze hebben een beroemd opperhoofd gehad Geronimo 2, die kent iedereen uit de verhalen en van de film. De oorlog met de Apachen heeft de Verenigde Staten miljoenen gekost, zo hardnekkig verzet boden ze toen ze van hun land verdreven moesten worden.”

De heer Heyink begon zich – als zovelen – voor de Indianen te interesseren, toen hij nog een jongen was. Hij verslond de boeken van Karl May en over Ferry de Woudloper 3. „Je las als kind natuurlijk aftreksels van boeken,” zegt hij, „verhalen die voor grote mensen geschreven waren, maar die verknipt en bekort en verslapt waren. Karl May schreef ook niet voor kinderen, dat is bekend.

Karl May...? De mensen hebben jarenlang het praatje verteld dat die man nooit van zijn leven een echte Indiaan had gezien en alles fantaseerde. Maar dat is niet waar, hoor.

May heeft wel degelijk jarenlang in het wilde westen verkeerd en had een zeer grondige kennis van de Indianen. Daar komt binnenkort een eerherstellende publikatie over, tussen twee haakjes.”

„Ik dacht als jongen altijd, dat de Indianen al lang uitgestorven waren. Maar op een dag stond ik voor een bioscoopje op de Oude (Binnenweg in Rotterdam en daar zag ik in een uitstalkast foto’s hangen. Ik keek goed en zag, dat de Indianen in die film niet zomaar verklede figuranten konden zijn, maar echte Indiaanse types waren. Toen dacht ik: hé...? En ik begon me te interesseren en materiaal te verzamelen. Ik correspondeerde al gauw met dr. Herman ten Cate 4, een man die in 1880 al voor de eerste keer op bezoek was geweest bij de Indianen van Noord-Amerika. Later, toen ik boekhandelaar was, slaagde ik erin om zeldzame dingen op de kop te tikken, boeken en platen, maar ook Indiaanse gebruiksvoorwerpen.”


Indiaanse gebarentaal I: Paard

Indiaanse gebarentaal II: Huis

Indiaanse gebarentaal III: Kopen

Kleurtekeningen

Eén kamer in zijn huis is van boven tot onder volgestapeld met zulke voorwerpen: hoofdtooien, kleding, mocassins in diverse kleuren, wapenuitrustingen. Hij haalt twee prachtige kleurentekeningen te voorschijn van Indianen; ze zijn van 1830 en hij bezit er in totaal 24 van. Ook twee boeken uit dat jaar, geschreven door Maximilian Prins zu Wied 5 na een lange ontdekkingstocht door Amerika, zijn in zijn bezit.

„De Indiaan,” zegt J. Heyink, „dreigde uit te sterven. Niet alleen door de ziekten en het vuurwater die hem gebracht werden door de blanken, maar ook door de gevangenschap. Men heeft geprobeerd slaven van hen te maken, net als met de negers: Columbus schrijft als eerste regels in zijn journaal nadat hij Amerika ontdekt had, het volgende over de Indianen: „Goed gevormde knappe mensen zijn het, die goed als slaaf zouden kunnen dienen.” Men heeft het geprobeerd, maar het ging niet. De Indiaan kon er anders dan de neger, niet tegen. Hij bleek in gevangensachap te sterven. En dat steeds terugdringen door de blanke kolonisten, dat deed hun ook geen goed. Er zijn er duizenden gesneuveld in de grote Indianenoorlogen van 1850 tot 1880. De groep werd steeds kleiner. Maar nu opeens is er een kentering gekomen.”

Herleving

Het Indianendom in Amerika is weer aan het herleven. De Navajo-stammen groeien per jaar met 20.000 zielen. Jonge Indianen, die al lang de ‘American way of life’ hebben aangenomen, gaan plotseling van hun geld de oude Indianenattributen kopen en komen bijeen in clubs. Indianen in de reservaten – Amerika heeft nog een half miljoen Indianen – willen niet integreren en geven de voorkeur aan het stamverband. „Ze worden weer rasbewust,” zegt de heer Heyink, „ze laten oude tradities herleven. De Zonnedans bij voorbeeld. Vorig jaar hebben tien jonge Indianen dat volbracht: vier dagen en nachten zonder eten en drinken dansen, terwijl stukjes hout door hun huid zijn geprikt. Een paar jaar geleden hebben jonge Indianen op een berg vele dagen gevast voor de vrede in Vietnam.”

Ze zijn vredelievend?
„Ze zijn nooit krijgszuchtig geweest,” zegt Heyink, „dat beweren wij, blanken. Ze verweerden zich alleen als ze verdreven werden.” Maar: „Ondanks alle pogingen hebben de blanken er het Indiaan-zijn nooit uit kunnen krijgen. Ze in diskrediet brengen, dat was alles wat we konden. Grapjes over de vredespijp en over Manitoe. Spotten met de namen Zittende Stier, Twintig Paarden, Gaan Door De Modder, Rode Wolk, ugh, oef. Flauwekul.

„Er is nog nooit,” zegt de heer Heyink, „een Indiaan uit zich zelf naar de blanken overgelopen. Andersom wel; de blanken die zich bij de Indianenstammen hebben willen aansluiten – en veel zijn daarin geslaagd – zijn legio. Als je je eenmaal voor de Indianen gaat interesseren, dan pakt het je. Dan zie je opeens een heel bijzonder volk.”
Binnenkort hoopt de heer Heyink naar Amerika te gaan. Voor het eerst in zijn leven. Hij gaat dan de reservaten bezoeken.
Misschien zien we hem nooit meer terug.


[1]In: Het Vrije Volk : democratisch-socialistisch dagblad, 24 december 1966.
[2]Goyaałé („Hij die geeuwt”, door de blanken verbasterd tot „Geronimo”, * 16 juni 1829 , † 17 februari 1909) het opperhoofd van de Chiricahua-Apaches. Hij ontsnapte diverse keren uit het reservaatje dat door de Amerikaanse regering aan de Chiricahuas was toegewezen, tot hij zich uiteindelijk in september 1886 met slechts 35 medestrijders moest overgeven aan een meerderheid van 5000 Amerikaanse soldaten onder kolonel Nelson A. Miles, waarna de alle Chiricahuas naar Arizona en later naar Oklahoma werden gedeporteerd.
[3]Er bestaat wel een boek „De woudloper” of liever gezegd, „Le coureur des bois” van Gabriel Ferry (eigenlijk Eugène Louis Gabriel Ferry de Bellemare, * 29 november 1809 , † 3 januari 1852), dat later door Karl May werd bewerkt in het Duits: „Der Waldläufer” (Gesammelte Werke, Band 70; Nederlandse vertaling: „De woudloper”, Prisma-Karl May-pockets, nr. 40), maar een „Ferry de Woudloper” heeft nooit bestaan!.
[4]Herman Frederik Carel ten Kate (* 21 juli 1858 , † 4 februari 1931) was een Nederlands fysisch antropoloog, die in 1882 voor het eerst de indianen in het westen van de Verenigde Staten bezocht, waarna hij in 1885 een boek, „Reizen en onderzoekingen in Noord-Amerika”, schreef. Zijn vader was de bekende schilder en graficus Herman Frederik Carel ten Kate (* 16 februari 1822 , † 26 maart 1891).
[5]Maximilian Prinz zu Wied-Neuwied (* 23 september 1782 , † 3 februari 1867) was een Duitse ontdekkingsreiziger, volkenkundige en natuuronderzoeker; over zijn bezoek aan en onderzoek onder de indianen van Noord-Amerika schreef hij in 1844 het boek „Maximilian Prince of Wied’s Travels in the Interior of North America, during the years 1832–1834”.



Terug naar de Nederlandstalige bibliografie.

Terug naar de Karl May-startpagina.

Terug naar de Apriana-startpagina.