Grootste succes uit Duitse ateliers:
WINNETOU


anoniem 1


(Van onze correspondent)
BONN, aug. – Wie succes wil hebben in de filmbussiness moet niet naar de sterren willen grijpen. Zo ongeveer zou de les van de Duitse producers kunnen luiden. Jarenlang liggen ondernemingen al in een agonie. Met „Buddenbrooks” 2, ’n nieuwe versie van de „Dreigroschen-Oper” 3, een „Es” 4 flikkert telkens weer de hoop op dat de crisis overwonnen is. Maar al te gauw blijkt het weer een illusie te zijn, een eerste zwaluw die op zijn eentje ook niet de nieuwe lente en het nieuwe geluid kan maken.

Cultureel onderlegde politici in Bonn injecteren het zieke filmlichaam met fikse bedragen, maar de maleise houdt aan en de pogingen via de film de Duitse zaak in de wereld te propageren komen niet boven stuiptrekkingen uit. Met het oog op deze officiële geldschieterij lijkt het wel een ironische speling van het lot dat uitgerekend Duitse produkties, die voor het naar herstel van zijn goede naam snakkende Duitsland geen enkele zode aan de dijk zetten, even zovele schoten midden in de roos blijken te zijn. Het zijn Indianen en woudlopers, die de Duitse filmindustrie nieuwe impulsen hebben gegeven: de roodheiden en de bleekgezichten van Karl May, maar deze veelschrijver werd immers niet wereldberoemd als „Mai”, maar als „Mee” en dus als een onvervalste Angelsaks in plaats van de rasechte Duitser die hij qua persoon en schrijftaal onmiskenbaar was.

Goldrush

Zijn door grote en kleine jongens stuk gelezen boeken zijn het die in al hun artistieke onschuld de Duitse filmwereld wonderbaarlijk in een goldrush hebben gestort. Producer Horst Wendlandt 5 zette zojuist een streep onder zijn achtste Winnetou. In de herfst zal ook deze film weer vuur en vlam slaan in de Duitse bioskopen en het verlangen naar de sympathieke roodhuis is bij de Duitse jeugd en een groot deel van hun opvoedingsberechtigden nog zo groot dat Herr Wendlandt zeker kan zijn van een nieuwe, brede stroom harde marken.
Wendlandt gooit er zeker niet met de cowboyhoed naar. Zijn Winnetoufilms kloppen tot in ’t detail maar de weinig pretentieuse wijze waarop hij zijn helden op het celluloid zet, kan voor andere producers wel eens een bedenkelijke stimulans worden niet al te hoog te mikken. Per slot van rekening moet ook bij de achtste muze de kas kloplen. Het zij hem evenwel grotendeels vergeven, want de Rialto-filmmaatschappij gebruikt de profijten van de Winnetou’s voor een wezenlijk deel als financiële basis voor het maken van meer kunstzinnige films.

Sprankelend

Mede daarom geen kwaad woord over het werk van Horst Wendlandt. Zijn idee en zijn onderneming zijn een sprankelend avontuur, zoals de droomfiguren van Karl May zelf. Vooral in de pionierstijd was zijn budget beperkt, zodat hij zich geen prairie in het originele Wilde Westen kon veroorloven. In Joegoslavië vond hij een wijds gebied dat met zijn grauwe en dreigende rotsen als de ene druppel water op de andere lijkt op het romantische jachtterrein van de Apachen en hun rasgenoten. Hier verfilmt Wendlandt nu al vanaf 1962 de ene Karl May na de andere. Hij heeft een vaste staf om zich heen verzameld van 150 artiesten en statisten: een smeltkroes van rassen en volkeren, die echter alleen maar op de film verbitterde vetes uitvechten.
In het harde werk van alledag vormen zij een harmonieus gezelschap dat ondanks het ratjetoe van Duits, Engels, Italiaans, Spaans en Joegoslavisch de belangrijke taal van de goede verstandhouding spreekt. Er moet zeker gepeesd worden. Om de beste lichteffecten te verkrijgen of niet in de hitte te bezwijken zoemen de camera’s al bij het krieken van de Joegoslavische dag. Tussen vijf en zes uur kan men de hengsten al zien galopperen, aangevuurd door vechtlustige roodhuiden.
Op dat prille uur heeft het gezelschap ad een reis van veertig tot negentig klimoter achter de rug, want dit intieme filmwereldje heeft zich het leven aangenaam gemaakt door zijn bivak aan een hemelse baai van de Adriatische Zee op te slaan. Dit azuren paradijs in Tito’s 6 land ligt niet ver van Zadar en het komt natuurlijk niet in de films voor. Dat zou de illusie van het Wilde Westen maar wreed verstoren.

Old Shatterhand

Het best heeft Lex Barker 7 het geschoten. Enkele jaren geleden, zweefde deze Amerikaan nog als Tarzan van boom naar boom, maar sinds er in de States minder behoefte bestaat aan zijn spierkracht heeft hij zich in Duitse dienst begeven. Het streelt zijn eergevoel niet al te sterk, maar hij kan de eindjes aan elkaar knopen. Evenals alle spelers, die een hoofdrol op hun huis geschreven kregen, incasseert hij per productie 300.000 mark en ’n vlug rekensommetje maakt al duidelijk dat hij in vier jaar tijds een salaris van een dikke twee miljoen gulden incasseerde.
Zoals gezegd schoot hij het ’t beste. In de baai dobbert zijn fraaie jacht, waarop zijn vijfde ega en de nodige hulpen het huishouden en de kinderen uit vier vroegere verbintenissen verzorgen. Lex Barker speelt natuurlijk de rol van Old Shatterhand en hij doet dat met veel flair, hoewel hij er in zijn wildleren gerafelde jasje en zijn lange dubbelloops bijna als Lex Barker uitziet.

Stadje gebouwd

De Fransman Pierre Brice 8 is een volbloed Winnetou. Wendlandt pikte hem op een Berlijns filmfestival op en hij had meteen de man die eigenlijk alleen maar een pruik van lang Mexicaans haar hoeft op te zetten om ten voeten uit Winnetou te zijn. Hij, de overige spelers en het hele verdere filmkader hebben in tegenstelling tot Barker hun anker op het vasteland uitgegooid. Hun gerieflijke domicilie is het idyllische en moderne hotel „Crvena Luka”, een gloednieuw lustoord, waarmee de communisten van Joegoslavië de kapitalisten van het westen hopen te vangen.
Van hieruit kan men dromerig op Barkers mobiele stulpje blikken. Voor uitblazen aan de Adria heeft de klok geen uren genoeg. Er zijn jaren dat er twee films gedraaid worden en dat betekent dat er gezwoegd moet worden. Ook dat gebeurt echter niet zonder romantiek. Op een rotsplateau ver van de kust bouwden handige timmerlieden het wildwest-stadje „Rocky Town” waar het naar paarden, kruit, whisky en squaws ruikt. Uit hout en naar het leven getekend werd er een logement met saloon opgetrokken dat geheel in de protserige taal van de ruwe kerels „Grand Hotel” heet.
Het is de rumoerige verzamelplaats van de harde knapen, die de Indianen voor zich uitschopten om zichzelf in Amerika’s Midden-Westen te nestelen. Ondanks deze ruwe bolster bleek de kern gelukkig zachtaardig te zijn, want „Rocky Town” heeft ook een kerk. Het is een protestantse met een kruis. Dat bracht de Rialto-studio de eerste protesten in de bus. Kruizen kende men toen en ginds niet op protestantse kerkgebouwen heette het. Voor regisseur Harald Philipp 9 was dit de eerste waarschuwing het met die entourage pijnlijk nauwkeurig te nemen. „Als de toeschouwers ook maar een foutje ontdekken regent het protesten”. Zelfs in Duitsland, waarvoor de films in eerste instantie gedraaid worden, is het deksels goed oppassen, want hier heeft men tientallen Indianen- en cowboy-clubs waarvan de leden de spelregels kennen als een schriftgeleerde de inhoud van de bbijbel.

Snoesje van 22

De liefste aanwinst van de filmcrew is Uschi Glas 10 uit Neurenberg. Ze is inderdaad een snoesje van 22. Van top tot teen voor Karl May geschapen. Een squaw ten voeten uit: timide, volgzaam, intelligent en bescheiden. Reebruine ogen, waarop steeds een vochtige glans ligt.
In het begin van het jaar was het meisje met de lange bruine haren nog een snelvingerige secretaresse bij ’n advocaat. De afgelopen maanden speelde zij tussen de Joegoslavische rotsen het schattige halfbloedje Apanatschi, waarnaar de film trouwens ook genoemd werd 11. De titel van het boek luidt eigenlijk „Halfblloed”, maar dat is niet het enige dat de producers met goed geweten vervalsten. Van ’t eigenlijke verhaal is maar heel weinig overgebleven. De makers hebben er verschillende redenen voor. Het publiek, zo motiveren zij, loopt eigenlijk alleen maar warm voor Mays figuren. Wat zij doen laat de mensen min of meer koud. De praktijk gaf hen gelijk, want de procedure bij de eerste zeven verfilmingen was precies dezelfde. Een andere beweeggrond is dat de Duitsers geen echte western willen maken. Terecht redeneren zij dat de Amerikanen dat veel beter kunnen. Het laatste argument is om mee te smuilen 12, want het luidt dat de producers een simpel conflict tussen goed en kwaad met een dosis Duits gemoed willen kruiden: een soort vervreemde „Heimatfilm” dus.

Paarden van Tito

Hoe vlijtig en gewetensvol men aan het detail en aan het effect doktert blijkt wel hieruit dat elke Karl May de „Rialto” op ruim 3,5 miljoen gulden komt. De filmrechten bedragen per boek slechts ongeveer 15.000 gulden en dit schappelijk prijsje bracht Wendlandt ertoe collectief beslag te leggen op alle zeventig May-titels. Ook het filmen buiten Joegoslavië zou hem heel wat meer aan de portemonnee zijn gekomen.

Het leven is hier niet duur en de meer dan honderd Indianen zijn Joegoslaven die al gauw met hun westelijke valuta tevreden zijn en wegens hun vervaarlijke uiterlijk weinig schmink kosten. De paarden dankt Wendlandt aan een voor hem gelukkig besluit van Tito, die vorig jaar de cavallerie ophief. Zij zijn nu bezit van een Joegoslavische filmmaatschappij, die tevens tegen een schappelijk prijsje de nodige manschappen uitleent.
Een verrukkelijk detail is het nog dat de Joegoslaven tot Indianen opgeleid werden door de Amerikaanse stuntman Alan Pinson 13. Deze geweldenaar leidde tevens de bandieten op, want in Philipps versie van Karl May wemelt het hiervan. In „Winnetou en de halfbloed Apanatschi” treedt bovendien een jongeman op, die de bijgelovige misdadigers met zijn toverkunsten in de luren moet leggen. Hij werd opgeleid door een Franse illusionist die extra voor 2 maanden gehuurd werd.

Het succes en de goede May-conjunctuur hebben Wendlandt tot spoed aangemaand. Tegelijk met de Winnetou’s nam hij de Old Surehand-serie onder handen. Titel-vertolker is de Engelsman Stewart Granger 14, die volgens de wil van Karl May zo groot moet zijn dan hij ondanks zijn 186 centimeters nog met hoge hakken voor de camera’s opduikt.

Ook in 1966 geldt het dus nog dat de massa in een voorgetoverde wereld wil leven. Dertig miljoen bezoekers stormden al op de eerste zeven films af. Tientallen miljoenen zullen nog volgen. Maar Wendlandt is een nuchtere zakenman. Hij rekent erop dat het over enkele jaren „Schluss” is. Zo niet, dan is al het andere pure winst.


[1]In: Limburgs Dagblad, 8 augustus 1966.
[2]Buddenbrooks” was de verfilming uit 1959 van de gelijknamige roman van Thomas Mann met o.a. Liselotte Pulver, Hansjörg Felmy en Nadja Tiller.
[3]Die Dreigroschenoper” was de verfilming in 1963 van het gelijknamige theaterstuk met tekst van Bertolt Brecht en muziek van Kurt Weill met o.a. Curd Jürgens, Hildegard Knef, Gert Fröbe, Lino Ventura en Sammy Davis Jr.
[4]Es” is een Duitse film uit 1965 met o.a. Sabine Sinjen en Bruno Dietrich, die algemeen beschouwd wordt als het begin van de Neue Deutsche Film, een filmstijl die regisseurs als Wim Wenders, Volker Schlöndorff, Werner Herzog, Hans-Jürgen Syberberg en Rainer Werner Fassbinder voortbracht.
[5]Horst Wendlandt, geboren als Horst Otto Grigori Gubanov (* 15 maart 1922 , † 30 augustus 2002), was de producent van negen van de zeventien grote Karl-May-verfilmingen uit de jaren ’60: „Der Schatz im Silbersee” (1962), „Winnetou, 1. Teil” (1963), „Winnetou, 2. Teil” (1964), „Unter Geiern” (1964), „Der Ölprinz” (1965), „Winnetou, 3. Teil” (1965), „Old Surehand, 1. Teil” (1965), „Winnetou und das Halbblut Apanatschi” (1966) en „Winnetou und sein Freund Old Firehand” (1966) en talloze andere films, waaronder de vijf van Otto Waalkes.
[6]Josip Broz, bijgenaamd Tito (* 7 mei 1892 , † 4 mei 1980), was van 1945 tot 1990 de communistische dictator van Joegoslavië.
Het ‘jacht van Sir David Lindsay’ in de film „Der Schut” was dat van Tito.
[7]Lex Barker (voluit: Alexander Chrichlow Barker Jr., * 8 mei 1919 , † 11 mei 1973) was een Amerikaans acteur, die in vijf films furore maakte als Tarzan; in Europa was zijn eerste grote rol die van Robert – de verloofde van de vrouwelijke hoofdrolspeelster Sylvia (Anita Ekberg) – in de klassieker „La dolce vita” van Federico Fellini, alvorens hij optrad in maar liefst twaalf van de zeventien grote Karl-May-verfilmingen in de jaren ’60: als Old Shatterhand in „Der Schatz im Silbersee” (1962), „Winnetou, 1. Teil” (1963), „Old Shatterhand” (1964), „Winnetou, 2. Teil” (1964), „Winnetou, 3. Teil” (1965), „Winnetou und das Halbblut Apanatschi” (1966) en „Winnetou und Shatterhand im Tal der Toten” (1968); als Kara Ben Nemsi in „Der Schut” (1964), „Durchs wilde Kurdistan” (1965) en „Im Reiche des silbernen Löwen” (1965); als Dr. Sternau in „Der Schatz der Azteken” (1965) en „Die Pyramide des Sonnengottes” (1965).
[8]Pierre Brice (artiestennaam van Pierre Louis Baron le Bris, * 6 februari 1929 , † 6 juni 2015) was een Frans acteur, die in maar liefst elf van de zeventien grote Karl-May-verfilmingen in de jaren ’60 de rol van Winnetou speelde: „Der Schatz im Silbersee” (1962), „Winnetou, 1. Teil” (1963), „Old Shatterhand” (1964), „Winnetou, 2. Teil” (1964), „Unter Geiern” (1964), „Der Ölprinz” (1965), „Winnetou, 3. Teil” (1965), „Old Surehand, 1. Teil” (1965), „Winnetou und das Halbblut Apanatschi” (1966), „Winnetou und sein Freund Old Firehand” (1966) en „Winnetou und Shatterhand im Tal der Toten” (1968). Voorts speelde hij nogmaals de rol van Winnetou in de tv-series „Mein Freund Winnetou” (1980) en „Winnetous Rückkehr (1998) en trad hij een aantal malen op als gastacteur (uiteraard eveneens in de rol van Winnetou) bij de Karl-May-Spiele van Elspe en Bad Segeberg.
[9]Harald Philipp (* 24 april 1921 , † 5 juli 1999) was een Duits acteur, regisseur en draaiboekauteur. Hij regisseerde twee van de zevntien grote Karl May-verfilmingen uit de jaren ’60: „Der Ölprinz” (1965) en „Winnetou und das Halbblut Apanatschi” (1966).
[10]Uschi Glas (* 2 maart 1944) is een Duitse actrice en zangeres, die in zo’n vijftig, meestal Duitse, films heeft gespeeld, waarvan slechts eenmaal in een Karl-May-verfilming: „Winnetou und das Halbblut Apanatschi”.
[11]Originele Duitse titel: „Winnetou und das Halbblut Apanatschi”.
[12]te meesmuilen? 👻
[13]Allen Dodd Pinson sr. (* 30 oktober 1916 , † 22 januari 2006) was een Amerikaans stuntman en -acteur.
[14]Stewart Granger (* 6 mei 1913 , † 16 augustus 1993) speelde in een drietal Karl May-verfilmingen („Unter Geiern” (1964), „Der Ölprinz” (1965) en „Old Surehand, 1. Teil” (1965)) de rol van Old Surehand.



Terug naar de Nederlandstalige bibliografie.

Terug naar de Karl May-startpagina.

Terug naar de Apriana-startpagina.