DE LAATSTE JAREN VAN KARL MAY

anoniem 1


Het plotselinge besluit om na zijn reizen door Egypte, Palestina, Turkije en Sumatra als schrijver helemaal opnieuw te beginnen – een besluit, dat tot stand kwam onder invloed van de ontdekking dat Karl May nooit persoonlijk de landen had bezocht, die hij in zijn Old Shatterhand- en Kara ben Nemsi-boeken had beschreven, en de perscampagne, die als gevolg daarvan, tijdens zijn afwezigheid was losgebroken – moet de eerste maanden zeer sterk zijn geweest. Reeds met Kerstmis ligt de eerste vrucht daarvan, in prachtband en met goud-op-snee, voor hem: „Himmelsgedanken” 2. Voorzover deze „gedichten” niet helemaal zonder echo blijven, moet May zich met een provinciale bewondering tevreden stellen. Zoals steeds echter, wanneer een onderneming minder succesvol is, vlucht hij in de illusie, dat een volgende generatie hem beter zal begrijpen.
In „Villa Shatterhand” hebben zich intussen de tegenstellingen tussen May en zijn vrouw Emma Pollmer dermate verscherpt, dat hij voortaan niet alleen het „gif” van haar eeuwige discussies probeert te ontwijken, maar ook het gif, dat zij hem mogelijk in zijn voedsel zou kunnen toedienen. Veiligheidshalve gebruikt hij daarom nog alleen het voedsel dat de dienstboden voor hem bereiden.

Het proces tegen Fischer

In februari 1901 begint Fischer 3 de vervolgverhalen, die May – al dan niet onder pseudoniem – voor de familiebladen van Münchmeyer 4 heeft geschreven, met veel trompetgeschal als „Karl Mays Geïllustreerde Werken” op de markt te brengen. Twee jaar geleden heeft May Fischer met een proces gedreigd, indien hij deze uitsluitend omwille van het geld en onder voortdurende druk van de „colportage-lectuur-fabrikant” Münchmeyer geschreven vervolgverhalen in boekvorm durft uit te geven, maar Fischer die na de dood van Münchmeyer diens zaak heeft overgenomen, schijnt zich nu juridisch sterk genoeg te voelen om het risico aan te durven. May heeft inmiddels een wereldnaam verworven en hij wil in het succes daarvan delen. Heeft May de vervolgverhalen inderdaad slechts voor éénmalige publikatie in de familietijdschriften van Münchmeyer geschreven of bezit Münchmeyer, c.q. Fischer, het recht met deze verhalen te doen wat hij wil? Er zijn uitsluitend mondelinge afspraken gemaakt en er is niets schriftelijk vastgelegd. Wanneer May opnieuw met een proces dreigt, doet Fischer May het aanbod alle rechten voor 70.000 mark van hem terug te kopen! May wijst dit aanbod echter woedend van de hand; ook enige delicate toespelingen op zijn verleden (tussen 1859 en 1879 maakte May zich aan verschillende delicten schuldig, als gevolg waarvan hij verscheidene jaren in gevangenissen en tuchthuizen doorbracht) kunnen hem zijn zelfbewustzijn niet ontnemen. Eerst wanneer de eerste verhalen in boekvorm voor hem liggen, wordt hij zich de catastrofale gevolgen bewust, die deze heruitgave voor zijn naam en reputatie kan hebben. Dit is je reinste kitsch, ja, nog erger, dit is niets meer of minder dan schundlectuur! „Dit kan ik toch onmogelijk zo geschreven hebben!” roept hij vertwijfeld uit. Hij laat een verklaring publiceren, waarin hij bekent deze verhalen weliswaar geschreven te hebben, maar dat ze door Münchmeyer gecorrigeerd en bewerkt zijn; Münchmeyer heeft er liefdesscènes in verwerkt, waarvoor hij (May) geen verantwoordelijkheid wenst te dragen. Toen Münchmeyer deze waarschuwing bleef negeren, heeft hij met hem gebroken.
Deze mededeling wordt door Fischer beantwoord met een bericht in de pers, dat Münchmeyer de teksten weliswaar gecorrigeerd heeft en ook passages heeft laten vervallen, maar er geen nieuwe aan heeft toegevoegd. Het duurt niet lang of de gehele pers gaat zich met de affaire bemoeien; May maakt een proces tegen Fischer aanhangig, dat zich bijna 12 jaar lang, tot aan zijn dood, zal voortslepen. Het advocatenkantoor Bernstein 5, dat Mays zaken behartigt, zal steeds nieuwe redenen vinden om May in processen verwikkeld te houden en daaraan de belangrijkste bron van zijn inkomsten ontlenen. May is evenwel dom genoeg om in hun frases te blijven geloven en zich vrijwel tot op zijn hemd door hen te laten uitkleden.
In 1902 laat May zich van Emma Pollmer scheiden en huwt Klara Plöhn, die hem reeds jarenlang als secretaresse behulpzaam is geweest.

Het geval Lebius

De geschiedenis, die hem echter dieper treft dan alle voorgaande en het begin van zijn einde betekent, is het geval Lebius 6. Op 2 mei 1905 vervoegt Lebius zich aan zijn deur voor een interview. Hij praat voortdurend over zijn rijke ervaring en zijn grote successen als journalist en uitgever. Hij wil een brochure over May schrijven, die hem (May) in het stadium van zijn proces met Fischer ten goede zal komen. Die brochure moet in tienduizenden exemplaren verspreid worden. Daarvoor heeft hij echter geld nodig, veel geld! Op 12 juli benadert hij May voor de lening van een groot bedrag, maar May gaat daar niet op in. Op 8 augustus volgt een nieuwe poging, die May eveneens onbeantwoord laat. Nadat een hernieuwde poging, via de inschakeling van een vriend van May, eveneens mislukt is, ontvangt May op 7 september een anoniem briefje, dat blijkens het handschrift van Lebius afkomstig is, waarin deze met een onthullend artikel over May dreigt. M.a.w. wanneer May niet met het gevraagde bedrag over de brug komt, zal Lebius wel eens een boekje over Mays verleden open doen! Het eerste artikel „Meer licht over Karl May, colportageschrijver met een jaarinkomen van 160.000 mark” verschijnt op 11 september in de „Sachsenstimme”. Wanneer May ook deze wenk negeert, volgen in november en december vier nieuwe artikelen. Nu gaat May tot de tegenaanval over. Hij dient een aanklacht tot afpersing in, waarbij hij de anonieme briefkaart overhandigt, die inderdaad door Lebius geschreven blijkt te zijn. Het gevolg is echter, dat op Kerstavond voor de etalages van de boekhandels in Dresden grote aanplakbiljetten hangen, waarop in kapitale rode letters gedrukt staat: „De vroegere veroordelingen van Karl May”. May heeft nu geen rustig ogenblik meer. Wat moet hij doen? Hij kan Lebius voor het gerecht dagen, maar dan zullen onvermijdelijk ook zijn veroordelingen ter sprake komen! Beter dan die openlijk te moeten toegeven, kan hij zich dus in zwijgen hullen. Nu kunnen de lezers de aantijgingen tenslotte nog als grove laster opvatten. Hij besluit dan ook zijn aanklacht in te trekken. Op 11 februari 1907 is het eindelijk zover, dat hij na vijf jaar procederen de vreugde smaakt, dat Fischer zijn vervolgverhalen niet meer mag herdrukken. De boeken zijn inmiddels in duizenden exemplaren verspreid en hebben, samen met de verhalen van Lebius, zijn reputatie vrijwel vernietigd.
Fischer neemt wraak door een aanklacht wegens meineed tegen May in te dienen. Er vinden verscheidene huiszoekingen bij May plaats en de politie bedient zich daarbij van methodes, die de grenzen van het geoorloofde verre overschrijden. Wanneer er op zeker moment in Dresden een inbraak wordt gepleegd, schrikt men er zelfs niet voor terug de nu zeer rijke May als de mogelijke dader hiervan te verdenken, wat een ernstige zenuwinstorting tot gevolg heeft.


Karl May met Klara PIöhn op de terugreis van Amerika.


Karl May met de hoofdman 7 der Tuscarora-Indianen.

In 1908 verschijnt „Mir von Dschinninstan,” 8 dat tot een van een van Mays belangrijkste boeken behoort, en schrijft hij, ten behoeve van zijn latere biografen „Frau Pollmer, een psychologische studie” 9, waarin hij af en toe het formaat van een Strindberg 10 bereikt. Hij begint er over te denken om alle processen op te geven, maar Bernstein drijft hem voort.

Het einde

In de zomer van 1908 maakt hij een korte reis naar Amerika en bij terugkeer wordt May, die inmiddels toch zo verstandig is geworden om een andere advocaat in handen te nemen, van alle aanklachten vrijgesproken.
Naar aanleiding van de reis naar Amerika ontstaat het vierde deel van zijn Winnetou-serie 11 en in de herfst van 1910 begint hij aan het eerste deel van zijn autobiografie, die echter niet meer voltooid wordt 12. Het boek behoort zonder twijfel tot een van de aangrijpendste autobiografieën van de literatuur. Zijn gezondheid is voorgoed vernietigd; hij slaapt nog slechts enkele uren per nacht en lijdt voortdurend aan zenuwkrampen.
Op 25 februari 1912 wordt hij door de „Academische Vereniging voor Literatuur en Muziek” in Wenen uitgenodigd om in Wenen en Innsbruck een voordracht te houden, waarin hij zich volledig over zijn leven kan uitspreken. De voordracht in Wenen wordt een enorme demonstratie. De Sophiezaal, die 3.000 zitplaatsen biedt, is tot de laatste plaats bezet. „Hij sprak over de dood en het hiernamaals, over de goddelijke en eeuwige dingen en er scheen iets profetisch, iets oneindigs van hem uit te gaan zo schreef een reporter, die de voordracht bijwoonde. Aan het slot van zijn voordracht breekt een enorm applaus los, dat een kwartier lang aanhoudt. De politie moet de menigte op een afstand houden om hem zijn taxi te kunnen laten bereiken.
In 1961 verschijnt bij de Karl-May-Verlagausgabe de jongste uitgave van zijn Verzamelde Werken... in zeventig delen!


[1]In: Steenwijker Courant, 1 november 1965.
[2]Sinds 1921 is deze verzameling gedichten opgenomen in Gseammelte Werke, Band 49, „Himmelsgedanken” (sinds 1956 „Lichte Höhen”).
[3]Adalbert Fischer (voluit: Johannes Adalbert Fischer, * 3 december 1855 , † 7 april 1907) was uitgever te Dresden, die in 1899 Verlag H. G. Münchmeyer overnam van diens weduwe, met als enig doel om Karl Mays colportageromans opnieuw uit te geven, nu met enkele toegevoegde passages.
[4]Heinrich Gotthold Münchmeyer (* 29 juni 1836 , † 6 april 1892) was uitgever en colportageboekhandelaar in Dresden.
Van maart 1875 tot december 1876 was Karl May aan deze uitgever verbonden en redigeerde hij de tijdschriften Der Beobachter an der Elbe (dat van 1874 tot 1875 bestond), Deutsches Familienblatt. Wochenschrift für Geist und Gemüth zur Unterhaltung für Jedermann (1875-1877; hierin publiceerde May zijn eerste indianenverhalen), Schacht und Hütte. Blätter zur Unterhaltung und Belehrung für Berg- Hütten- und Maschinenarbeiter (1875-1876) en Feierstunden am häuslichen Heerde. Belletristisches Unterhaltungs-Blatt für alle Stände (1876-1877; hierin publiceerde May zijn eerste verhalen over de Oriënt).
Tussen 1882 en 1887 schreef Karl May zijn vijf grote colportageromans voor Verlag H. G. Münchmeyer: „Waldröschen oder die Rächerjagd rund um die Erde” (december 1882-augustus 1884; 2.612 pagina’s), „Die Liebe des Ulanen – ein packender Fortsetzungsroman über den deutsch-französischen Krieg 1870/71” (september 1883-oktober 1885; 1.724 pagina’s), „Der verlorne Sohn oder Der Fürst des Elends. Roman aus der Criminal-Geschichte” (augustus 1884-juli 1886; 2411 pagina’s), „Deutsche Herzen – Deutsche Helden” (december 1885-januari 1888; 2.610 pagina’s) en „Der Weg zum Glück – Höchst interessante Begebenheiten aus dem Leben und Wirken des Königs Ludwig II. von Baiern” (juli 1886-augustus 1888; 2.616 pagina’s).
[5]Rudolf Bernstein (voluit: Friedrich Rudolf Bernstein, * 25 juli 1858 , † 9 november 1932) was advocaat te Dresden met als specialisatie bouwrecht. Op aandringen van Klara Plöhn-Beibler, Karl Mays latere tweede vrouw, die bevriend was met Bernsteins vrouw Emmy, koos May Bernstein nogal verrassend als advocaat in het auteursrechtenproces tegen Verlag H. G. Münchmeyer. Er ontstond zelfs een hechte vriendschap tussen de families May (inmiddels met de tweede „mevrouw May”) en Bernstein, tot Karl May erachter kwam dat zijn goede vriend „Rudi” het proces nodeloos bleef rekken om zo des te meer te verdienen.
Officieel heette het advocatenkantoor Bernstein, Klotz und Langenhan; partners waren Ernst Hugo Klotz (* 2 februari 1858 , † 20 juli 1908) en Johannes (Hans) Clemens Langenhan (* 17 januari 1873 , † ?). Langenhan was degene die het minst met May en diens processen te maken had, maar hij was wel de enige van de drie die zijn herinneringen aan May – onnauwkeurig en vol fouten – 1944 op papier zette.
[6]Rudolf Lebius (* 4 januari 1868 , † 4 april 1946) was een Duitse journalist van het dubieuze soort, uitgever, vakbondsleider en antisemitisch politicus; nadat zijn poging om Karl May te persen mislukt waren, werd hij diens vuigste tegenstander.
[7]Op deze, door Klara May gemaakte foto zien we Karl May met de veldarbeider Samuel Thompson en diens dochtertjes Minnie en Rebecca, Tuscarora-Indianen in hun reservaat, bij een tipi-achtige tent, eigenlijk alleen een eenvoudige tent ter bewaring van de oogst. Van deze foto werden ansichtkaarten vervaardigd, die het echtpaar May kwistig verstuurde. „Hoofdman” of „opperhoofd” klinkt natuurlijk een stuk voornamer dan „veldarbeider”, dus dat past perfect in Klara Mays propagandapraatjes.
[8]Der Mir von Dschinnistan” verscheen van 1908 tot 1909 in de Deutscher Hausschatz. De oorspronkelijke titel van de boekuitgave van de twee delen was in 1909: „Ardistan und Dschinnistan” (sinds 1955 „Ardistan” en „Der Mir von Dschinnistan”, Gesammelte Werke, Band 31-32).
[9]Frau Pollmer, eine psychologische Studie” schreef May in 1907, naar zijn zeggen om dit 146 pagina’s tellende document later in zijn autobiografie te kunnen gebruiken, maar in werkelijkheid vooral ook om onderzoeksrechter. Kurt Larraß (voluit: Dr. Kurt Theodor Larraß, * 17 juni 1874 , † 31 december 1949) tegen Emma in te nemen. Het manuscript werd voor het eerst – als facsimile en transcriptie – als Prozeß-Schriften Band 1 in het voorjaar van 1983 gedrukt en uitgegeven door Roland Schmid (* 15 mei 1930 , † 4 januari 1990). Sinds 2004 bevindt de tekst zich (in moderne spelling, maar inhoudelijk ongewijzigd) in „Von Ehefrauen und Ehrenmännern” (Gesammelte Werke, Band 85).
De vraag die nu rijst, is: hoe kende de verslaggever van de Steenwijker Courant de inhoud van het manuscript dan reeds in 1965? Welnu, Karl May-onderzoeker Hansotto Hatzig (* 1919 , † 24 april 2001) had een kopie gemaakt en die ter beschikking gesteld aan Karl May-biograaf en vrije medewerker van het Karl-May-Verlag Hans Wollschläger (* 17 maart 1935 , † 19 mei 2007); deze speelde het manuscript door aan de schrijver Arno Schmidt (voluit: Arno Otto Schmidt, * 18 januari 1914 , † 3 juni 1979), die delen ervan gebruikte in zijn boek „KAFF auch Mare Crisium” uit 1960; omdat Arno Schmidt de kopie eigenlijk helemaal had mogen inzien, verzon hij het verhaal over „Copie Nr. 2, bestemd voor de heer Heinrich Andreas Näwy, Dresden, Johannstädter Ufer 2, III”.
[10]August Strindberg (voluit: Johan August Strindberg, * 22 januari 1849 , † 14 mei 1912) was een Zweeds auteur, dichter, dramaturg, kunstschilder en fotograaf. Zijn bekendste werken zijn „Mäster Olof” („Meester Olof”), „Röda rummet” („De rode kamer”), „Fadren” („De vader”), „Hemsöborna” („De mensen van Hemsö”), „Tschandala: berättelse från 1600-talet” („Tschandala : geschiedenis van de 17e eeuw”), „Till Damaskus, första delen” („Naar Damascus, I”), „Till Damaskus, andra delen” („Naar Damascus, II”), „Gustav Vasa” en „Gustav Adolf”.
[11]Winnetou IV” werd in 1910 als laatste boek van Karl May’s Gesammelte Reise-Erzählungen door Friedrich Ernst Fehsenfeld (* 16 december 1853 , † 16 september 1933) uitgegeven. In 1914 werd de titel veranderd in „Winnetous Erben” en is sindsdien Gesammelte Werke, Band 33.
[12]Het eerste deel van Mays autobiografie, „Mein Leben und Streben”, was wel degelijk klaar. Het boek werd in 1910 zelfs uitgegeven door Friedrich Ernst Fehsenfeld, maar het werd op instigatie van Rudolf Lebius al snel verboden. Tot een door Fehsenfeld en May geplande herziene versie en een tweede deel kwam het niet meer door Mays ontijdige dood in 1912. „Mein Leben und Streben” is sinds 1917 opgenomen in „»ICH« Karl May • Leben und Werk” (Gesammelte Werke, Band 34).



Terug naar de Nederlandstalige bibliografie.

Terug naar de Karl May-startpagina.

Terug naar de Apriana-startpagina.



Google
www op deze website