Maar meneer .... KKK

W. Tj. Klaren 1


NAAR aanleiding van uw stuk betreffende de Ku-Klux-Klan wil ik uw aandacht vragen voor hetgeen Karl May hierover schreef. „De naam van de beruchte Ku-Klux-Klan is volgens sommigen slechts de nabootsing van het geluid dat door het spannen van een geweerhaan wordt veroorzaakt. Anderen verklaren hem als een samenstelling van suc: waarschuwing, gluck: klikken, en dan het Schotse woord voor stam, geslacht, of troep. Mogelijk weten de leden van de K.K.K. zelf niet, hoe hun naam is ontstaan en wat de betekenis ervan is.”
Reeds president Grant kreeg van het Congres onbeperkte volmacht tegen de bende op te treden en vaardigde een anti-K.K.K.-wet uit. Dat men zo’n drastische uitzonderingswet moest uitvaardigen bewijst wel hoeveel gevaar staat en burgers door het optreden van het genootschap liep aldus May. Verder schrijft hij nog: „... in feite hield de K.K.K. jaren aaneen ’t zuiden in voortdurende opschudding, maakte elk bezit onzeker, werkte remmend op handel en nijverheid en de strengste maatregelen konden aan hun onwettige activiteiten geen einde maken.”


[1]Ingezonden brief van W. Tj. Klaren uit Amsterdam in: Het Parool, 3 april 1965.



Terug naar de Nederlandstalige bibliografie.

Terug naar de Karl May-startpagina.

Terug naar de Apriana-startpagina.