HET RUIKT HIER NAAR GAS.
Een poging tot begrip van KARL MAY


Godfried Bomans 1
(Noot van Roger Schenk)


Opgedragen aan de zonen van dr. Hermans te Curaçao

Ik behoor tot de talrijke Nederlanders, die Karl May niet alleen in hun jeugd gelezen hebben, maar nog immer lezen. Alleen, ik kom er rond voor ut. Weinig volwassenen doen dit. Zij gaan naar een boekhandel en kopen een „Old Shatterhand” voor hun jongste zoon. De bediende pakt het boek met een fijne glimlach in. Hij weet dat het kereltje het werk pas in handen krijgt als vader het eerst heet stukgelezen.

HET LUCHTLEDIG

          Wat mij in die boeken zo bevalt, is de totale afwezigheid van materiële zorgen. Vermoedelijk om dezelfde reden kenden de Grieken hun „Homerus” van buiten. Het behoort tot het wezen van de soort literatuur die wij „mythologie” noemen, dat de daarin voorkomende figuren in een luchtledig opereren, waarin zij haarscherp staan afgetekend. Wij weten niets omtrent hun innerlijk; wij weten alles omtrent hun contour. Zij staan als het ware losgeknipt uit hun omgeving, waarmee ze niets te maken hebben en waar ze ook niet in overvloeien. Old Shatterhand kan maanden lang door de prairie rijden zonder dat de vraag waar hij van leven moet, ook maar een ogenblik in zijn hersens of die van de lezer naar boven komt. Zeker, soms schiet hij een grizzly-beer, maar men wordt met de toebereiding hiervan niet lastiggevallen. De beroemde man snijdt een der klauwen af en legt deze onder zijn zadel. ’s Avonds, na een dag galopperen, haalt hij het eronder vandaan en zie, het is mals geworden. Dat bevalt me. Financiële zorgen kent men in de prairie al evenmin. Het komt wel voor dat Winnetou iets moet betalen. Het opperhoofd der Apachen grijpt dan in een gemslederen zakje en legt een aantal nuggets op de toonbank. Dit zijn klompjes goud. De bediende wordt niet geacht die te wisselen en Winnetou heeft andere dingen aan zijn hoofd.

VROUWEN

          Vrouwen spelen in de boeken van Karl May volstrekt geen rol. Zij worden „squaws” genoemd en treden slechts blozend naar voren als er bij iemand een veter loszit. Die mogen ze dan wel vastmaken, maar hoger dwaalt hun blik met. Ook dit is volkomen en règle. Wie met een vrouw intiem verbonden is, vervloeit onherroepelijk met wat rondom haar is, want vrouwen zijn concreet. Dit zou de abstracte omlijning van de held, waardoor hij van zijn omgeving zorgvuldig is uitgespaard, slechts vervagen en dit kan hij niet hebben. Hij dient zijn contouren te bewaren en aan zijn lijf geen polonaise. Soms wordt een „squaw” verliefd op Old Shatterhand. Dit is te betreuren. Old Shatterhand rijdt dan snel door, want hij kwetst ongaarne iemands gevoelens, maar hij kan zich met zulke finesses niet bezighouden. Een complicatie doet zich voor als de zuster van Winnetou in Old Shatterhand iets ziet. Gelukkig wordt het meisje spoedig hierna vanuit een hinderlaag doodgeschoten, zodat het geval op een bevredigende wijze is afgewikkeld.

          Winnetou heeft slechts één geweer en dit wordt de „Zilverbuks” genoemd. Als hij hiermee schiet, is het bij de omstanders gewoonte om „oef” te roepen, want het schot is altijd raak. Wat mij als jongen, merkwaardig genoeg, nooit heeft beziggehouden, is de vraag hoe men met een zilveren buks in de hand kan sluipen. Men moet bij deze bezigheid zelfs de ogen dichtknijpen, want de fosforiserende glans hiervan kan door een geoefend roodhuid gemakkelijk worden opgemerkt. Het is wel voor voorgekomen dat een sluippartij mislukte, omdat daarbij wel het horloge was zwart gemaakt, maar de secondewijzer in die bewerking vergeten was. De Zilverbuks echter wordt nooit waargenomen. Dat zoiets niet klopt, is van geen belang, want er klopt weinig in de boeken van Karl May. Interessant is alleen de vraag waarom een jongen dat niet in de gaten heeft. Het antwoord luidt dat Winnetou niet kritisch bekeken wordt. Hij is een supermens. Wat in het algemeen niet kan, kan hij juist wèl. Een man als Winnetou is, evenmin als Achilles of Odysseus, onderworpen aan de wetten van de logica. Hij is een mythologische figuur. Hij staat, en wij kunnen dit punt niet genoeg benadrukken, los van zijn omgeving en zodra dus Winnetou zijn geweer ter hand neemt, deelt dit in het voorrecht van de drager: het wordt onzichtbaar.

DE BERENDODER

          Old Shatterhand is wat bedachtzamer, want bij draagt zijn geweren in een foudraal. Hij heeft er twee. De Henry-buks en de Berendoder. De Henrybuks is een „repeteergeweer” voor de korte afstand en mist nimmer zijn doel. Als ik zeg „korte afstand”, is dit natuurlijk betrekkelijk bedoeld. Want om de wind eronder te houden, schiet Old Shatterhand wel eens op een dun boompje, en dit staat dan nog altijd aan de horizon. Hij verzoekt dan de roodhuiden er eens naar toe te gaan en de stam te bekijken. Zij zien dan 25 gaatjes, precies onder elkaar. Ook hierbij is het de gewoonte om „oef” te roepen. Intussen laadt dan Old Shatterhand zijn geweer opnieuw, want dit was maar een aardigheid. Dadelijk is het ernst geblazen. De Berendoder daarentegen wordt zelden gebruikt. In „De Petroleumkoning” gebeurt dat. Old Shatterhand ziet dan héél in de verte een Comanche die op het punt staat twee bleekgezichten te scalperen. Hij maakt dan het foudraal van de Berendoder open, richt even en trekt twéé keer af. Natuurlijk valt de Comanche morsdood, maar het eigenaardige feit doet zich nu voor dat hij maar één gaatje in het voorhoofd heeft. Winnetou wentelt dan met zijn voet de roodhuid om en bemerkt, dat twee kogels het achterhoofd verlaten hebben. De oplossing van het raadsel is natuurlijk dat Old Shatterhand beide malen in hetzelfde gat geschoten heeft. Dit is een van de weinige gelegenheden, dat zelfs Winnetou een zacht „oef” niet weerhouden kan.
          Old Shatterhand is behalve vreselijk sterk, ook ongehoord nobel. Hij doodt slechts bij uiterste noodzaak, want hij is, dit mogen wij nooit vergeten, een vriend der roodhuiden. Daar hij nu in aanhoudend levensgevaar verkeert, zou hieruit een dilemma ontstaan als Karl May niet op de gedachte gekomen was hem een vuist te geven die de hersenpan verdooft, maar niet verbrijzelt. Hiertoe moet Old Shatterhand voortdurend zacht slaan. Slaat hij per abuis hard, hetgeen in drift wel eens voorkomt, dan gebeurt dit niet opzettelijk en Old Shatterhand heeft daar ook altijd spijt van. De andere bleekgezichten slaan er onbekommerd op los, maar Old Shatterhand houdt zich in.

EEN FICTIE

          Dit is de eigenlijke vondst van deze figuur. Een held is niet iemand die zijn uiterste best doet een held te wezen. Hij mag niet op zijn tenen staan. Hij dient het zijns ondanks te zijn. Het heroïsche ontstaat altijd als nevenenprodukt van iets anders en moet terloops gebeuren. Natuurlijk, het is de hoofdschotel, maar het hoort als toegift te worden opgediend. Om dit te bereiken, roept de held de fictie in het leven dat het hem eigenlijk om iets anders te doen is. Voor Old Shatterhand kan dit worden samengevat in twee doelstellingen: de redding der Indianen van hun ondergang èn hun bekering tot de christelijke beginselen. Hoe naïef dit streven wordt doorgevoerd, blijkt uit iedere bladzijde. Karl May was er de man niet naar om hier iets van terecht te brengen en het was hem daar ook niet om te doen. Wat het eerste betreft: er waren allang geen Indianen meer en er viel dus niets meer te redden. En voor het tweede stond hijzelf te zwak in zijn schoenen. Hij hield de dunne soep van algemene menslievendheid voor de krachtige bouillon van het evangelie en het is voor iedere jongen een diepe teleurstelling als zelfs Winnetou voor deze prut bezwijkt en stervend stamelt: „Charlih... ik ben... een Christen.” Hier hadden de omstanders nu „oef, oef” moeten roepen, want het beeld van Winnetou, die voortaan ’s zondags ter kerke gaat en zich in het algemeen correct gedraagt, is onvoorstelbaar. Winnetou had dit nooit mogen doen. Hij valt tegen.
          Intussen dienen we wel te begrijpen wat een compliment we een schrijver maken wanneer we van een zijner figuren zeggen dat hij tegenvalt. Men moet namelijk zo’n man eerst op poten zetten, wil hij daarna de verkeerde kant opgaan. Zijn oorspronkelijke richting moet vaststaan. Hij dient „georiënteerd” te zijn. Met andere woorden: hij kan alleen fout gaan als hij eerst goed is geweest. We hebben allemaal van Winnetou een bepaalde voorstelling. Dit beeld houdt in dat hij nooit en te nimmer voor de slappe praatjes van Old Shatterhand door de knieën gaat. Nu doet hij dat tòch. Goed, maar wie heeft de verwachting van het tegendeel gewekt? Karl May. Hij schiep dan toch maar Winnetou zó, dat het opperhoofd in staat is de lezer teleur te stellen. Dit soort fouten kan alleen gemaakt worden als er een creatie aan is voorafgegaan.

WINNETOU

          Winnetou is dan ook de eigenlijke schepping van May. Hij is dit vooral door zijn zwijgzaamheid. De andere helden kletsen de lezer de oren van het hoofd in bladzijdenlange dialogen die iedere rechtschapen jongen overslaat, omdat hij er niet de minste behoefte aan heeft om overtuigd te worden. Wat kan het hem schelen of Old Firehand bewijst dat men in noordelijke richting moet gaan? Logica is hier niet aan de orde. Helden hebben altijd gelijk. Winnetou voelt dit zeer juist aan. Hij stijgt op zijn paard en zegt: „Wij gaan naar het noorden. Mijn blanke broeders mogen mij volgen. Howgh.” Dit soort mededelingen, waarbij elke argumentatie ontbrak, bracht mij telkens weer in verrukking. Winnetou had zijn gelijk natuurlijk makkelijk kunnen aantonen. Hij had allang het gebroken grashalmpje opgemerkt dat in noordelijke richting wees, en een licht bewegen van zijn oorschelpen verried trouwens dat het sprietje hem niet ontgaan was. Maar Winnetou is veel te groot om de andere woudlopers, die bij hem vergeleken slechts knoeiers zijn, tot zijn standpunt over te halen. Hij kan zijn tijd wel beter gebruiken. Integendeel, zij mogen hem volgen, Deze vertaling van het Duitse „mögen”, die natuurlijk niet geheel correct en daardoor onnavolgbaar juist is, verheft het gehoorzaam volgen van Winnetou tot het niveau van een gunst. Winnetou rijdt dan ook door, zonder om te zien of iemand hem volgt. Hij neemt dit als vanzelfsprekend aan. Hij heeft bovendien „howgh” gezegd. Wij spraken dit destijds uit als „houw”, op dezelfde wijze als Winnetouw. Wat het precies betekende, wisten zelfs de jongens van de hoogste klas niet; het stond alleen vast dat er dan aan zijn beslissing niet meer te tornen viel.
          Winnetou! Ik zie hem opeens weer voor me zoals ik hem toen zag: jong, slank, lenig, met iets panterachtigs in zijn bewegingen en een diepe, bijna melancholieke ernst op zijn gebronsd gelaat. Hij had voortdurend gelijk en liet zich daar nimmer op voorstaan. Hij bezat die eigenaardige bescheidenheid waarin de eigenwijsheid tot haar hoogste vorm stijgt: de bewustheid dat het gelijkhebben niet discutabel meer is. Hij zweeg, omdat de mogelijkheid van tegenspraak eenvoudig niet in hem opkwam. Old Shatterhand was minder. Wij vereerden dit bleekgezicht natuurlijk mateloos, maar hij was toch minder dan Winnetou, omdat hij altijd alles uitlegde. Old Shatterhand kon bijvoorbeeld afstijgen en zich over het prairiegras buigen. Dan richtte hij zich op en zei: „Hier hebben twee Sioux-Indianen gereden, vader en zoon, van de stam der Platvoeten. Het paard van de zoon loopt kreupel en dat van de vader is de uitputting nabij. Zij zullen dus beiden een rustplaats hebben gezocht; en daar het spoor nog geen tien minuten oud is, bevinden zij zich in gindse rotsholte.” Nadat de ontstelde „oefs” der omstanders verklonken waren, ging Old Shatterhand dit allemaal welwillend toelichten, want hij was in zijn hart, evenals de schrijver zelf, een schoolmeester. Maar wat deed Winnetou? Die was intussen doorgereden, had de twee Sioux overmeesterd, gebonden en schuin over zijn paard gelegd, en zie, terwijl het hoger onderwijs nog in volle gang was, kwam hij al aangereden en legde de schurken naast elkaar in het gras, met de kalmte van een brievenbesteller die twee pakjes aflevert. Old Shatterhand had dat ook gekund als hij wou. Maar hij wilde niet. Hij moest eerst bewijzen wat een schitterende kerel hij was. Winnetou versmaadde dit. Hij achtte deze waarheid genoegzaam bekend.

HET PATROON

          Het patroon waarop May zijn boeken borduurt, is uitermate eenvoudig. Men kan dit de kruissteek noemen. De ene steek bestaat hierin dat beide prairiejagers worden gevangengenomen en de. tweede, die er dwars op staat, dat ze alle twee weer loskomen. Aan dit laatste hoefde nooit getwijfeld te worden, al was het alleen maar hierom, dat men slechts één deel in handen had en er nog een heleboel volgden, waarnaar af en toe in voetnoten verwezen werd, zoals: „Zie ‘Old Shatterland in het Rotsgebergte’”. Men wist dan dat het weer in orde kwam. Ook de gevangenen zelf wisten dit. Zij lieten zich overmeesteren, knevelen en daarna in een put gooien met de gemoedsrust van mensen die de volgende bladzijden reeds lang tevoren hadden doorgelezen. Men kon Old Shatterhand zelfs een zekere verveeldheid niet ontzeggen, als hij zich weer omsingeld zag.
          Ook de bevrijding geschiedde altijd op dezelfde wijze. Uit het gezelschap onbenullen, waarin beide meesters reisden, wist er altijd één de dans te ontspringen en die maakte dan ’s nachts de touwtjes los. Strikt nodig was dit niet, want Old Shatterhand had een „pennemes” in zijn mouw genaaid, dat bij de zorgvuldigste fouillering steeds weer over het hoofd werd gezien. Eén keer, ik meen in „De Zwarte Mustang”, komt een situatie voor die reden geeft tot bezorgdheid. Winnetou en Old Shatterhand zijn bij die gelegenheid omsingeld en neergeslagen zonder dat er iemand van hun kennissen in de buurt is. Ook het pennemesje is ontdekt. Zij liggen beiden „krom gesloten”, dat wil zeggen: met de hielen tegen het achterhoofd vastgebonden, wat reeds na vijf minuten de ondragelijkste pijnen veroorzaakt. Zo liggen zij daar twee dagen en drie nachten, natuurlijk zonder een spier te vertrekken, waarna ten slotte de martelpaal wordt opgericht. En dan kijkt eindelijk Old Shatterhand van opzij zijn vriend aan en noteert het volgende: Het gebronsde gelaat van Winnetou was licht bewolkt. Dit is subliem, nietwaar? Zo’n passage kon ik eindeloos overlezen, omdat hierin Winnetou bijna zijn best deed om de situatie onaangenaam te vinden, maar met de beste wil van de wereld toch niet slagen kon om ze ook nog verontrustend te achten.

DE „GREENHORN”

          Een veel toegepaste figuur bij Karl May is ook de „greenhorn”. Old Shatterhand sluit zich aan bij een gezelschap woudlopers, die hem als een beginneling, een melkmuil, kortom: een „groentje” beschouwen, en hoort elke avond aan het kampvuur verhalen over... Old Shatterhand. Hij luistert hier eerbiedig naar, zonder te laten merken dat hij het zelf is. Wel bevrijdt hij de woudlopers, die een verzameling stumperds blijken te lijn, uit alle mogelijke perikelen en hij laat een spoor van door zijn vuistslag verdoofde roodhuiden achter zich, maar niemand komt op de gedachte dat dit nu Old Shatterhand is, totdat de wind het foedraal van de berendoder openwaait, terwijl terzelfder tijd de maan door de wolken breekt. De gebruikelijke zin is dan deze: „Gij zijt toch niet... Old... Old... Shatterhand?” Gewoonlijk treedt dan Winnetou uit het struikgewas te voorschijn en omhelst zijn broeder Charlih. Het eigenaardige hierbij is dat van nú af aan iedereen ook volledig inziet dat dit Old Shatterhand moet zijn. Zijn vroegere daden, die alle aan een knoeier werden toegeschreven, worden door deze naam plotseling gelegaliseerd. Ik geloof dat dit een Duits trekje is. Old Shatterhand kan maandenlang voor een nieuweling doorgaan, ofschoon hij precies dezelfde huzarenstukjes uithaalt als daarna. De erkenning hiervan breekt echter eerst door wanneer dit door de titel wordt mogelijk gemaakt. Men moet weten dat het Old Shatterhand is, eer hem de achting toevalt die men Old Shatterhand verschuldigd is.

HET KNIESCHOT

          Een van deze huzarenstukjes is het zogenaamde „knieschot”. Dit gaat zo. Men zit aan het kampvuur en ontwaart plotseling in het gebladerte twee fosforiserende ogen. Grijpt men nu het geweer, dan ziet de ander dit en is meteen verdwenen. Men blijft dus zitten en praat achteloos door. Intussen echter legt men het geweer al spelend over de knie en trekt af. Dit is het knieschot. Er zit natuurlijk veel meer aan vast: ik heb alleen de grote lijn aangegeven. In elk boek van May wordt het knieschot uitvoerig beschreven, doch nimmer toegepast 2. De reden hiervan valt moeilijk te gissen. Ik heb een jongen gekend die alle boeken van May aan één stuk doorlas, enkel en uitsluitend in de ijdele hoop het knieschot werkelijk eens mee te maken, en dit is vermoedelijk ook de bedoeling van de schrijver geweest. Een ander stukje is het zogenaamde „sluipen”.

HET SLUIPEN

          „Over het sluipen”, zo zegt Karl May, die hulponderwijzer in Duitsland was en dan ook nooit geslopen heeft, „bestaat veel misverstand.” Hij legt dan eerst uit hoeveel verkeerde manieren er zijn en komt ten slotte op het ware werk. Dit blijkt dan te zijn het gebruik maken van slechts de tenen en de vingers. Dit vergt een ontzaglijke inspanning, die door ervaren woudlopers maar enkele minuten kan worden volgehouden, ofschoon hij er onmiddellijk aan toevoegt dat Winnetou en Old Shatterhand zich urenlang in die toestand konden voortbewegen. Het fijne van zulke passages is, althans voor een jongen, de volwassen toon waarin hij zich behandeld ziet. Hij wordt, door de vermelding van al deze details, als een deskundige toegesproken en dit ondergraaft zijn kritische vermogens zozeer, dat hij de gegeven informaties blindelings aanvaardt. Mocht hij echter de gewoonte hebben over zulke mededelingen na te denken, wat bij May’s geschriften dringend wordt afgeraden, dan ziet hij gemakkelijk in dat ze onjuist zijn. Wie zó sluipt, komt ter bestemder plaatse slechts begraven aan. Niet alleen maakt men op die wijze aanzienlijk meer lawaai, omdat men dieper in de aarde wegzakt, maar men laat ook duidelijker sporen achter, terwijl de „ontzaglijke inspanning” de ademhaling versnelt, enfin, de hele methode lijkt nergens naar. Maar dat is nu niet aan de orde. Waar het hier om gaat is de suggestie van wetenschappelijkheid die door al May”s geschriften loopt. Dit verklaart ook de verbazing waarmee de mensen later vernemen dat May de gebieden die hij beschrijft, niet of slechts nauwelijks betreden heeft.

COMPENSATIE

          Ik heb dit altijd de grote glorie van Karl May gevonden. Sommigen van zijn biografen haasten zich ons te verzekeren dat hij wel degelijk hier of daar geweest moet zijn en zij noemen in hun ijver zelfs het hotel waar hij een nacht heeft doorgebracht. Zij beseffen niet dat hiermee de schitterende kwakzalverij van de man alleen maar verminderd wordt. Juist het feit dat hij vermoedelijk nooit een Indiaan ontmoet heeft en in elk geval als de bliksem de benen zou genomen hebben als hij er een was tegengekomen, maakt de figuur van Old Shatterhand zo interessant. Voor psychologen is hij een schoolvoorbeeld van compensatie. May, in het Oosten op alle fronten mislukt, projecteert in het Westen de man die hij had willen zijn. Dezelfde hand die zich hier aan kleine diefstallen vergreep, wordt ginds een shatterhand. Dezelfde overheid die hem aan deze zijde opsloot, staat aan de overkant van de oceaan tegenover een teugelloos genie. Of is het niet tekenend dat de ware stumperds, de imbecielen, die nu werkelijk alles verkeerd doen, door deze ex-gevangene uit de officiële overheid gerecruteerd worden? Een vijandelijk opperhoofd kan nog wel eens schrander uit de hoek komen. Een ambtenaar of sergeant van politie nimmer.

MYSTIEK

          En hier komen we aan een raakpunt met het nationaal-socialisme. Een man als Hitler las Karl May graag en veel. Het vrijwel puëriële van diens gedachtenwereld, gevoegd bij de onbegrensdheid van zijn aspiraties, sloeg bij de mislukte Oostenrijker in als regen op verdorde aarde. Wie aan dit conflict lijdt, heeft maar één middel om zijn ideeën door te drukken: geweld. En het is juist deze noodoplossing die bij May in laatste instantie beslist. En niet alleen macht, maar ook een vreemd soort mysticisme, waarvoor ik geen naam heb, maar die in het Duitse volk aanwezig is als een geur in een huis. Ik wil niet de goedkoopheid begaan mij hierover geringschattend uit te laten. In zijn hoogste vorm kan het stijgen tot Hölderlin, Böhme of Grünewald. Ik wil alleen zeggen dat het in lagere geesten, waartoe ik Karl May zo vrij ben te rekenen, „mich fremdartig anweht”, zoals Goethe het uitdrukt wanneer hij over het Duitse volkskarakter spreekt. De niet duidelijk gemotiveerde exaltatie, waartoe de Duitse taal met haar gerekte klinkers zich zo bij uitstek leent, gaat dan hinderlijk werken. Tot zijn laatste determinant teruggebracht, is het de onvolwassenheid die stem krijgt. Het resultaat wekt een gevoel van onbehagen, dat tegelijk fascineert, zoals een opera van Wagner mij boeit. Men ziet op het toneel een volstrekt kinderlijk gegeven, want al die Siegfrieds en Brünhildes komen bij de zorgvuldigste enscènering niet boven padvinderij voor gevorderden, maar tegelijk ruist er om deze verkenners een muziek die in zijn grenzeloosheid het geheel tot een vreemde werkelijkheid tilt, een pseudo-realiteit die men thuis moet afschudden, omdat er niet in te leven valt. Het is deze emotionele lading rondom een onduidelijke en in elk geval onvolgroeide kern, die Karl May voor jongens zo onweerstaanbaar maakt.
          Want wat is men op die leeftijd? Een mysticus zonder God, een vervoerde die niet weet waarheen. Men zit met een voorraad toewijding die nergens op gericht kan worden, want het godenbeeld van de vader is juist omgevallen en dat van de vrouw nog niet opgericht. In dit vacuüm treden plotseling Winnetou en Old Shatterhand naar voren. Vooral Winnetou! Met zijn lange, „blauwzwarte” haren, zijn fluwelen tred, zijn sierlijke handen, zijn ondoorgrondelijke blik en vooral zijn zwijgzaamheid staat hij precies in de schemerachtige ruimte waar de man gestorven en de vrouw nog niet geboren is. Maar wat beide figuren eerst recht onaantastbaar maakt, is de bijzonderheid waarmee ik dit opstel opende: hun dispensatie van alle materiële zorg. En met „materie” bedoel ik nu niet alleen geld, maar elke vorm van betrekkelijkheid die het leven ons oplegt. Het is op dit punt dat ik nog even nader zou willen ingaan.

DE GROTE MAN

          De figuren van Dostojewsky worden ook niet door financiële overwegingen gehinderd, evenmin als die van Tolstoi. De eersten zijn te bezeten van iets anders om aan hun inkomen te denken, de laatsten hebben hiervan een zo grote invloed, dat de gedachte eraan niet eens hoeft verdrongen te worden. Toch staan zij niet los in de ruimte. Door duizenden draden van liefde, haat, eerzucht en jaloezie zijn zij versponnen met het weefsel der hen omringende existenties; het zijn werkelijke romanfiguren en daarom zeggen ze een kind ook niets. Want wij denken wel dat een kind betrokken is in de om hem heen plaatshebbende gebeurtenissen, maar dit is het niet. Het aanvaardt die slechts, maar blijft binnen de gesloten cirkel van zijn eigen denkwereld. Heel het volwassen worden is, althans in dit opzicht, niets anders dan touwen gooien naar buiten om contact te krijgen.
          Die touwen nu worden bij Karl May niet gebruikt, tenzij om lasso’s te werpen of er iemand aan op te hangen. Old Shatterhand en Winnetou, en zelfs de mindere goden, blijven volkomen zichzelf binnen de cirkel van hun zelfstandig bestaan , alsof zij alleen op de wereld zijn. Zij rijden hun eenzaam pad dwars door het leven der „anderen”, die òf opzij vallen òf op hun knieën zinken. Zij hebben iets in hun hoofd en dat gebeurt. Buiten die smalle streep is er niets. Dit volkomen autonoom zijn, deze redeloze en daardoor mystiek aandoende ontheffing van de sociale orde is typisch Duits. Ik bedoel hiermee niet dat alle Duitsers zo zijn, maar dat zulk een conceptie alleen in een Duits hoofd kan opkomen. Wij zien het verschil meteen als wij de jongensboeken van Gustav Aimaird, Jules Verne of Fennimore Cooper bekijken. Een man als kapitein Nemo is waarachtig geen kleine jongen, maar hij heeft verdriet. Een figuur als Lederkous is ook geen man om in het donker tegen te komen, maar hij raakt verliefd. Al deze helden worden bij tijd en wijle in hun ondergoed waargenomen. Old Shatterhand nooit. En het is precies hier, dat voor de onrijpe geest zijn bekoring ligt. Deze voortdurende heroïek, dit nooit onder het juk doorgaan van wat of van wie dan ook, en vooral: die zuiver persoonlijke normen die onder de dunne dekmantel van „prairiewetten” niettemin een volkomen eigen rechtsbedeling betekenen, ze appelleren niet alleen aan de teenager, ze boeien ook nog steeds dat gedeelte van het Duitse volk dat op de weg naar volgroeidheid halverwege is blijven steken. Het is de mystiek van de Grote Man.

EEN CITAAT

          En nu ik aan de kern van wat ik zeggen wil, gekomen ben, wil ik het misverstand voorkomen als zouden hieraan alleen oud-SS”ers onderhevig zijn. Nee, juist het feit dat overigens gezonde, weldenkende en zelfs intelligente Duitsers in dit opzicht een onverwachte kwetsbaarheid vertonen, maakt het verschijnsel zo interessant. Nemen wij eens een man als Friedrich Sieburg, de schrijver van „Napoleon - Die hundert Tage”. Bij een herdruk van dit in 1956 verschenen boek heeft Sieburg onlangs in het tijdschrift „Die Lesestunde”, een uitgave van de Deutsche Buch-Gemeinschaft, een verantwoording van zijn visie geschreven, waarbij hij vaststelt dat Frankrijk zich eigenlijk steeds tegen het „heroïsche” heeft geweerd. „Das Lebensgefühl dieses egoistischen und gesunden Volkes hat die Idee des Heldischen wie einen Bazillus ausgeschieden.” Maar is het ook voor Sieburg een bacil? Hoor hem nu plotseling doordraven:
          „So ist es mir in früheren Jahren (hij woonde toen in Parijs) oft geschehen, dasz ich als Deutscher den groszen Kaiser gegen die Franzosen verteidigt habe, weil seine dämonische Natur mit vertrauter Stimme zu uns spricht und das Heldenhafte in ihm eine verwandte Seite im Deutschen anrührt. Der Trieb des Helden, über sich selbst hinauszuwachsen, ja sich und seine Welt zu sprengen, ist eine durchaus deutsche Möglichkeit, während dieser Trieb von Franzosen als etwas Ungemäszes, ja Gefährliches verstanden wird. So liefert unser Verständnis für das heldische Streben ins Maszlose selbst die Antwort auf die Frage, was Napoleon eigentlich am Ebro und in Düsseldorf zu suchen hatte...

          Dit wordt in juli 1963 gepubliceerd, nog geen twintig jaar nadat deze „durchaus deutsche Möglichkeit” zich inderdaad gerealiseerd heeft! En niet zozeer dat een historicus als Sieburg dit schrijft, maar dat een Duits blad van erkende reputatie dit opneemt, wijst erop dat hier een „vertrauter Stimme zu uns spricht”. En inderdaad, deze „Trieb ins Maszlose”, ginds als „prairiewet”, hier als „dämonischer Natur” gemaskeerd, is een „verwandte Seite im Deutschen”, die steeds weer dreigt „sich und seine Welt zu sprengen”. Het gaat er mij niet om een man als Sieburg hier als nationaal-socialist voor te stellen. Hij zou zelf schrikken als hij zich bewust werd wat zijn woorden eigenlijk betekenen. Maar juist die onbewustheid omtrent de portée van zijn uitspraak en het feit dat ze komt uit de mond van een „goede” Duitser die zich in een soort somnambulisme verspreekt, is een teken aan de wand.

CONCLUSIE

          En nu: welk teken? Dat het Duitse volk niet deugt? Met deze dooddoener, waarmee het probleem zo dikwijls wordt afgedaan, zijn we er niet. Het is trouwens een leugen. Ieder die Duitse vrienden heeft, stelt zich borg voor het tegendeel. Maar hij weet tevens dat zij plotseling in staat zijn tot een vreemde vervoering, een niet helder verantwoorde geestdrift, een plotseling doorslaan van de stoppen waarvoor het woord „exaltatie” de dichtste benadering geeft. Hier stoten we opeens op een weke plek in de Duitse ziel waarachter het hol klinkt. Wat zit er in die ruimte? Wie daar gebukt in doordringt, ontmoet allereerst goede vrienden: Old Shatterhand en Winnetou. Maar de glimlach van herkenning verstijft op uw lippen naarmate u verder gaat. Zij zijn slechts de voorlopers van ander volk dat u herkent uit meer recent verleden. Zij dragen ook buksen, maar niet langer van zilver, en zij hebben ook vuisten, maar niet langer om te verdoven. En als u niet verder meer kunt, vindt u achterin een man met een kleine snor die met de rug tegen de muur van zijn onverzettelijk gelijk u strak in de ogen kijkt. Het geurt hier ook niet meer naar de prairie. Het ruikt hier naar gas.


[1]In: Elseviers Weekblad, 24 augustus 1963
[2]Het knieschot wordt alleen beschreven in Winnetou I („Winnetou, het grote opperhoofd”), Winnetou II („Old Shatterhand”), Der Sohn des Bärenjägers („De zoon van de berenjager”) en Old Surehand III („Het geheim van Old Surehand”), en u raadt het al: in de twee laatstgenoemde boeken wordt het knieschot toegepast!



Terug naar de Nederlandstalige bibliografie.

Terug naar de startpagina.