WIE GEEN VERLEDEN HEEFT, DIE MOET HET MAKEN

anoniem 1

Niet uit zucht naar „goede oude tijd”, maar uit trots op het bereikte

Met de auto vijf uur van New York en een uur van Boston verwijdert ligt – iets terzijde van de grote weg en slechts over een voetpad en een brug te bereiken – het dorpje Old Sturbridge. Het telt ongeveer honderd inwoners en bestaat uit een kerk, dertig huizen, een raadhuis en een molen. Maar de duizenden, die het dagelijks, gewapend met film- en fototoestel bezoeken, komen in een zeldzaam oord : sinds het jaar 1799 schijnt hier de tijd te hebben stilgestaan.
De bezoekers, die hun auto’s op een reusachtig parkeerterrein in de nabijheid hebben moeten achterlaten, verzamelen zich op het dorpsplein, waar onder een linde een gebaarde jongeman voor een meisje zonder make-up oude liefdesliederen zingt; de shorts en sporthemden volgen deze flirt tussen wambuis en crinoline aandachtig.
Wie daarna een wandeling maakt langs de oude huizen waarvan de deuren alle openstaan, ziet hier iemand weven, daar een smid de voorhamer zwaaien en nog iets verderop een oud vrouwtje waskaarsen vervaardigen. En men koopt het plaatselijk krantje, direct uit de hand van de redacteur, die het geheel alleen schrijft, zet en op een voorhistorische pers drukt. Het heet „Massachussets Spy” (de „Spion van Massachussets) en het verscheen reeds in 1799.

Schoenen uit in bed!

Op de herberg prijken nog steeds de oude opschriften, „Het is verboden met de schoenen aan naar bed te gaan”. Maar de prijs voor een overnachting, indertijd twintig cent, is inmiddels tot veertig gulden gestegen .... Daarvoor leeft men dan in een dorpsgemeenschap, die precies zo gekleed is en werkt als de mensen in de achttiende eeuw.
Het is moeilijk te geloven, maar tien jaar geleden graasden op deze plek nog de koeien. Het „oude” dorp is in werkelijkheid pas zeven jaar oud. Twee rijke lieden uit de omgeving kochten in 1951 de grond, lieten oude woningen in de wijde omgeving afbreken en in Old Sturbridge weer opbouwen en richtten deze in met meubelen en andere voorwerpen uit hun particuliere kunstverzamelingen. Daarna trok men de meesters van vrijwel uitgestorven ambachten aan.
Zo ontstond een werkzame dorpsgemeenschap, die leeft van de verkoop van de produkten van hun arbeid aan de bezoekers: toeristen, die een uitstapje in het verleden maken. Hun verleden, zo denken zij, hoewel hun voorvaderen in 1799 meestal nog in Europa woonden.



Hoe merkwaardig het in onze ogen mag lijken, maar dit is een beeld waarom Amerika ons benijdt. Een oude ruïne uit de lang vervlogen middeleeuwen. Rijke Amerikanen schromen niet om zo’n kasteel in Europa te kopen, steen voor steen te laten afbreken en op een mooie plaats in de V.S. weer te laten opbouwen.


Méér levende musea.

In het gehele land stuit men tegenwoordig op dergelijke „levende” musea. En daar zij steeds de historische belangrijkste tijden van hun landstreek vertegenwoordigen, kan men er bijna het gehele verleden van Amerika in ontmoeten.
Uit de Noordamerikaanse „oudheid” – dus de periode, waarin het land nog ’n kolonie was – werd in Virginia gedurende de laatste jaren de meer dan 400 huizen omvattende, tot de laatste deurknop historisch ingerichte stad Williamsburg samengesteld en met het leven van 1760 gevuld. In het noorden van de staat Vermont vindt men het bergdorpje Westen en aan de kust van Connecticut de zeehaven Mystic, beelden uit de jaren kort na de stichting van de republiek – die men de Amerikaanse middeleeuwen zou kunnen noemen.
De tijd van de heldensagen komt voor Amerika pas na de middeleeuwen en deze speelt zich af in het westen, waar de pioniers, boeren en woudlopers het werelddeel ontsloten. Daar is, als lag het nog steeds aan de rand van het oerwoud, het dorp New Salem gebouwd en zijn bewoners leven precies zo als Cooper 2, Aymard 3 en Karl May het hebben beschreven – alleen de vijandige Indianen ontbreken. Nog verder naar het westen hadden goudzoekers, avonturiers en gokkers eens de stad Virginia City gesticht en – nadat de goudzege teneinde was – verlaten; nu heeft een Newyorkse zakenman, die de kaviaarpotten van de grote stad zat was, het verlaten dorp gerestaureerd. Men kan er, indien men er geld voor heeft, 24 uur per dag het oude wilde westen beleven.

Ford vooraan.

In het Brandywine-dal tussen Pennsylvania en Delaware roken sinds 1958 de schoorstenen van een dozijn oude fabrieken uit het begin van de negentiende eeuw, die, nadat zij lang hadden leeg gestaan, maar hier werden overgebracht, om volgens de toen hoogstmoderne methoden katoen, staal en glas te gaan vervaardigen. En de bezoekers bewonderen dit ouderwetse fabrieksstadje als Nederlandse toeristen het slot Loevestein. „Geschiedenis is onzin”, meende eens Henry Ford 4 en zijn uitlating werd een gevleugeld woord. Maar juist uit Fords nalatenschap is enige jaren geleden het in de nabijheid van Detroit gelegen museumterrein Greenfield gefinancierd. Daar ziet men onder meer het laboratorium, waarin Thomas Edison 5 zijn eerste gloeilamp construeerde, het gerechtsgebouw, waarin de jonge Abe Lincoln 6 als advocaat optrad, en het fietsenfabriekje, waarin de gebroeders Wright 7 hun eerste vliegtuig bouwden. Enige jaren geleden heeft Amerika’s oudste herberg, de in de omgeving van Boston gelegen „Old Wayside Inn”, die in 1680 werd gebouwd en in 1955 door brand werd vernield, zijn poorten weer geopend; de kosten van de herbouw, 2 miljoen gulden, werden door de Ford-Foundation betaald.

Verleden leert voor morgen.

Hoe komt de Yankee er zo plotseling toe, het verleden weer levend te maken? Het geschiedt beslist niet, zo kan men vaststellen, uit een verlangen naar de „goede oude tijd”. Veeleer moet men het verschijnsel zien als een poging om te demonstreren wat Amerika sinds de dagen van zijn stichting heeft bereikt. Steeds meer worden de restauraties als „educational” – de opvoeding dienende – aangeprezen.
Niet uit sentimentaliteit blaast men het verleden weer leven in, maar met het doel om er lessen voor morgen uit te trekken.


[1]In: Soester Courant, 20 december 1960.
[2]James Fenimore Cooper (* 15 september 1789 , † 14 september 1851) was een Amerikaans schrijver, die vooral bekendheid verwierf met zijn zeeverhalen en historische verhalen, de Leatherstocking Tales, met Natty Bumppo in de hoofdrol; een van de beroemdste boeken uit deze reeks, „The Last of the Mohicans” wordt door vriend en vijand beschouwd als zijn meesterwerk.
[3]Gustave Aimard (pseudoniem van Olivier Aimard, * 13 september 1818 , † 20 juni 1883) was een Franse reiziger in Noord- Amerika, Spanje en Turkije en schrijver van avonturenromans. Beroemd zijn zijn „Les Trappeurs de l’Arkansas”, „Le Chercheur de pistes”, „La Fièvre d’Or”, „Les Chasseurs d’Abeilles”, „Le Cœur de pierre”, „L’Araucan”, „Les scalpeurs blancs”, „Par mer et par terre” en, samen met Jules Berlioz d’Auriac (* 9 juli 1820 , † 16 september 1913) geschreven, „Jim, l’Indien”.
[4]Henry Ford (* 30 juli 1863 , † 7 april 1947) was een Amerikaanse automobielfabrikant, die in 1903 de Ford Motor company oprichtte.
[5]Thomas Edison (voluit: Thomas Alva Edison, * 11 februari 1847 , † 18 oktober 1931) was een Amerikaanse uitvinder – o.a. van de (verbeterde) gloeilamp en de fonograaf – en de oprichter van General Electric Company, die zijn fortuin maakte door uitvindingen op te kopen en de octrooien op zijn eigen naam vast te leggen.
[6]Abraham Lincoln (* 12 februari 1809 , † 15 april 1865) was van 1861 tot 1865 de 16de president van de Verenigde Staten namens de Republikeinse Partij.
[7]De broers Wilbur Wright (* 16 april 1867 , † 30 mei 1912) en Orville Wright (* 19 augustus 1871 , † 30 januari 1948) waren twee Amerikaanse luchtvaartpioniers; in oktober 1900 maakten zij bij Kitty Hawk/N.C. hun eerste vlucht van maar liefst 150 meter.



Terug naar de Nederlandstalige bibliografie.

Terug naar de Karl May-startpagina.

Terug naar de Apriana-startpagina.



Google
www op deze website