KARL MAY ONTSLOOT NIEUWE WERELD VAN HELDEN
Autodidactisch schrijver tekende Indiaan als mÚns

Avonturenromans met christelijk bestanddeel
Niet bedoelde infiltratie in de kinderkamer

H.A. Gomperts 1


IK ken weinig boektitels, die zo welsprekend en zo poŰtisch zijn als „De duivelskop in het rotsgebergte”, tenzij dan „De Kara Nirwan Khan in AlbaniŰ”. Er zijn mensen, die nooit kunnen begrijpen wat Karl May voor andere mensen betekent heeft. Er zijn er ook, die zich schamen voor hun vroegere verslaafdheid aan Winnetou en Kara Ben Nemsi, de held uit het Avondland. Men beijvert zich dan om allerlei kwaads over Karl May te vertellen: dat hij in de gevangenis heeft gezeten, dat hij nooit in Amerika is geweest en al zijn boeken bij elkaar heeft gelogen en als klap op de vuurpijl dat Hitler zo van hem genoten heeft.

          Onlangs las ik nog ergens weer die fraaie aantijgingen die altijd opnieuw opgeld doen. Mijn liefde voor Karl May dateert uit een tijd, dat de lectuur van Hitler nog een ononthuld mysterie was, maar ik herinner mij wel, dat het verhaal over Karl May’s verblijf in gevangenissen mij eens heeft geschokt, niet zozeer op grond van de sociale degradatie die er uit sprak, als wel omdat Old Shatterhand, met wie de auteur zich zo graag vereenzelvigde, behalve een uiterst fatsoenlijk en christelijk heer toch ook zo’n ongeŰvenaarde slimmerik was die zich m.i. niet zo maar kon laten vangen.
          Maar men leert al gauw teleurstellingen te verwerken en het is een eerste schrede op de weg naar literair begrip, om te aanvaarden dat iemand in zijn boeken bijzonder braaf en slim kan zijn juist als hij in het leven nog al eens derailleert. Dat Karl May een leugenaar kan worden genoemd omdat hij de „reisavonturen” niet echt heeft beleefd, zouden, gelooft ik, zelfs de jeugdigste lezers nooit accepteren, omdat een schrijver nu eenmaal fantaseren mag en op des te meer bewondering aanspraak kan maken, naarmate zijn fantasie een grotere en natuurgetrouwere wereld produceert.
          En Hitler? Ja, Hitler schijnt ook Nietzsche bewonderd te hebben en de sprookjes van Grimm. Men kan zich daardoor bij beoordeling van lectuur niet laten be´nvloeden. In elk geval weet iedere lezer van Karl May, dat deze er een andere ideologie op na hield dan de FŘhrer. De mensenliefde, de gelijkwaardigheid van de rassen, het anti-kolonialisme, het pacifisme - dit alles wordt telkens opnieuw met hartstocht en soms met een wet wee´g idealisme gepredikt.
          Om op deze grond een verbinding te maken tussen May en de nazi’s, hoezeer de nazi-jeugd om hun kampvuurtjes misschien ook Winnetoutje hebben gespeeld, lijkt mij onbillijk. Men kan het nationaal socialisme werkelijk niet het monopolie gunnen van dit stuk romantiek.
          Karl May is verder door de paedagogen altijd al met een scheel oog aangekeken. Nienke van Hichtum heeft zijn boeken als „ellendig prikkelend sensatie-geschrijf” afgedaan. Ik kan dan alleen maar belijden, dat ik indertijd veel meer van dit prikkelend sensatie-geschrijf heb genoten dan van „Afke’s tiental”. Er is een Karl May-gemeente, die zich niet door al dit soort verdachtmakingen uit het veld laat slaan. De weldenkenden en de paedagogen zijn tegen hem.

OOK de autodidacten zijn gewoonlijk hartgrondig tegen hem, omdat zij in hem de autodidact niet verdragen. Dan ontmoet ik ook mensen, die zeggen: Winnetou, enfin; maar je houdt toch zeker niet van die smerige colportageromans die hij ook heeft geschreven? Ik moet dan bekennen, dat ik niet zijn hele oeuvre ken, maar ik houd niet alleen van de Winnetou-boeken, niet alleen van de Oosterse Kara-ben-Nemsi-serie, maar ook van „De rotsvesting in den Gran Chaco” en zelfs van „Het spook der ru´ne” en „De verdwenen krijgskas”, die het genre Van Courths-Mahler enige keren hebben verbeterd met spanning en onontwarbare intrige.
          Nu is bij de Drukkerij van het R.K. Jongensweeshuis te Tilburg van de hand van drs F.C. de Rooy een studie over Karl May verschenen, getiteld „Old Shatterhand”, die vele wetenswaardigheden over de veelgesmade auteur behelst. Drs De Rooy is een enthousiast lid van de Karl May-gemeente, maar ik geloof dat hij overdrijft, als hij zegt dat de schrijver een boodschap heeft voor volwassenen en niet alleen door kinderen moet worden gelezen. Nu verschijnt zijn boek in een R.K. reeks, met een „nihil obstat” en een „evulgetur” van kerkelijke autoriteiten en daaruit is misschien de nadruk te verklaren die de schrijver legt op de christelijke tendens van Karl May’s werk.
          Ik geloof wel, dat de heer De Rooy gelijk heeft, als hij betoogt dat Karl May, die een katholiserend protestant was, die strekking eerlijk heeft gemeend, maar ik maak mij sterk, dat het de ware Karl May-liefhebbers toch niet in de eerste plaats daarom is te doen. De christelijke hartstocht van Karl May is een onderdeel van die heel eigen en heel wonderlijke sfeer van zijn verhalen.
          In zijn latere werk gaat hij dat overdrijven en wordt hij er vaak onleesbaar door, maar in de Indianen-romantiek is het christelijk bestanddeel een onmisbaar element. Wij danken er zulke onvergetelijke zinnetjes aan als de woorden van de stervende Winnetou: „Sharlih, ik geloof aan de Heiland. Winnetou is een Christen. Vaarwel!” Maar er is toch verder een flinke dosis sporen-lezen, besluipen, bevrijden van de martelpaal, humoristische dialogen, en vooral de droom van een vrij, zelfstandig leven, verlost van de gemechaniseerde beschaving die dat element zijn pikante plaats geeft tusen de tomahawks.
          Men moet, geloof ik, Karl May niet meer lezen als men de zestien gepasseerd is. Misschien nog even De Llano Estacado doorvliegen, als men zeventien is. Maar dan niet meer. Dan moet het een herinnering blijven. Van de 65 boeken, die Karl May geschreven heeft, zijn er maar 7 voor de jeugd bedoeld, maar hij behoort nu eenmaal tot het soort auteurs dat tegen wil en dank in de kinderkamer terecht komt, waar Defoe, Swift, Dickens en Van Lennep hem zijn voorgegaan.

Tragiek

IN de levensbeschrijving, die men bij drs De Rooy aantreft, kan men een tragiek vinden, die herinnert aan de levens van Dickens en Andersen. Met hen had Karl May zijn afkomst uit de armste lagen van de 19de eeuwse maatschappij gemeen. Karl May was de zoon van een Saksische wever en terwijl Dickens zijn hele leven te vechten had tegen zijn jeugdherinnering aan een in de gevangenis gegijzelde vader raakt Karl May op het toppunt van zijn roem slaags met zijn eigen verleden van „tuchthuisboef”.
          Op zijn sombere jeugd volgde namelijk een periode tussen zijn 20ste en 32ste jaar van diefstallen en oplichterijen, die hem verschillende gevangenisstraffen bezorgden. Zijn in de ik-vorm geschreven boeken, waarin edele figuren als Old Shatterhand en Kara-ben-Nemsi de hoofdrol spelen, dateren van na die tijd. Als hij zich later steeds meer met die figuren gaat vereenzelvigen, speelt daarbij niet alleen een compensatie-behoefte een rol, maar ook de concrete noodzaak om zijn gevangenistijd te verbergen. Men vraagt hem, waar hij tijdens de oorlog van 1870-’71 geweest is en omdat hij niet wil zeggen: in de gevangenis te Waldheim, fantaseert hij een verblijf in Amerika. Gestimuleerd ook door de domheid van de lezers komt hij er toe de waarheid van zijn reisavonturen staande te houden, in kranten-interviews verzonnen feiten te vertellen over zijn fictieve vriend Winnetou en te pochen op de vele duizenden Apachen die onder zijn bevelen zouden staan.
          Processen met uitgevers brengen dan de waarheid over zijn verleden aan het licht, hetgeen voor hem een slag betekent, waarvan hij zich niet meer herstelt, ook niet door een autobiografie, waarin zijn „biecht” nog veel te verhullend en te verfraaiend is om geheel geloofwaardig te zijn. Men heeft Karl May het leven onmogelijk gemaakt met een hetze, die hem steeds verhevener rechtvaardigingen heeft doen zoeken, waaruit symbolische geschriften zijn voortgekomen die hij beter achterwege had kunnen laten.
          Het aardige van de goede Karl May-boeken is, dat zij voor vele lezers een eerste kennismaking beteken met een wereld van helden. Zoals de Oudheid de Ilias had en de Middeleeuwen de Ridders van de Ronde Tafel, zo hebben wij Old Shatterhand, Old Surehand, Old Firehand, Old Wabble, Winnetou en de grappige Sam Hawkens en, in een ander del van de wereld Kara ben Nemsi met Hadji Halef Omar (zijn best geslaagde romanfiguur), de grijsgeruite Engelsman Sir David Lindsay en de griezelige Sjoet.

Plastisch

DE verhalen van Karl May hebben het spannende van detective-verhalen. Er zijn mysteries, die duizenden bladzijden aanhouden (zoals dat van Old Surehand, die tenslotte onthult „mijn vader en moeder hebben in het tuchthuis gezeten”), er is een levendig soort van beschrijving, die landschap en gebeurtenissen bijzonder plastisch en zichtbaar maken en er is de atmosfeer van de open lucht, van het vrije jagersleven te paard, zonder politie, zonder slagers, kruideniers en benzinepompen. Verder is er Old-Shatterhand, waarmee ieder jeugdig lezer zich gaarne vereenzelvigt, een combinatie van Superman en Ghandi, verbonden door een bloedsbroederschap met de Indiaan Winnetou, de edelste aller mensen. Natuurlijk is deze Indiaan ge´dealiseerd, maar de benadering van „roodhuid” door Karl May was een grote vooruitgang op de manier waarop Aimard en Ferry deze „wilden” bekeken. Bij Cooper vindt men naast de gevaarlijke Indianen, de romantische, door Rousseau’s „wilde” be´nvloede Natuurheld. Karl May probeert, al romantiserend, zoveel mogelijk een mens van hem te maken.
          Het is niet alleen de introductie in een wereld van avontuur en heldhaftigheid, die men aan Karl May te danken heeft. Ook praktische raadgevingen onthoudt hij zijn lezers niet. Mij heeft hij b.v. ingeprent, wat men moet doen als men, om een kampvuur gezeten, plotseling in het struikgewas twee vijandige ogen ziet schitteren. Al pratend neemt men zijn geweer, legt het dwars over de knie alsof men er mee speelt en drukt dan af en zonder dat men mikken kan, raakt men de vijand tussen de ogen. Het is het z.g. knieschot dat een enorme ervaring vereist en dat sommigen nooit leren.
          Ook is mij bijgebleven, hoe men te paard over een iets te brede kloof moet springen, achtervolgd door gevaarlijke vijanden. Uw paard haalt de overkant alleen met zijn voorbenen. Ieder ander zou zich nu zo veel mogelijk naar voren buigen, maar dat is fout. Men moet zijn eigen gewicht naar achteren brengen om de voorkant van het paard te ontlasten. Het klautert dan veilig aan wal. Uw vijand intussen, die dat niet weet, stort met paard en al in het ravijn. De opvoeders hebben er iets tegen, maar wij, van de Karl May-gemeenten, vergeten het nooit.

H.A. GOMPERTS.




[1]De bron van dit artikel is onbekend (waarschijnlijk de Amsterdamse krant Het Parool; het zal in elk geval in of kort na 1955 zijn geschreven (Boekje van De Rooy!).
In 2003 verschenen de verzamelde essays van H.A. Gomperts (1915-1998) onder de titel Intenties 1, Intenties 2 en Intenties 3 bij Meulenhoff in Amsterdam; in een van de delen Intenties staat een herdruk van dit artikel.



Terug naar de Nederlandstalige bibliografie.

Terug naar de startpagina.