Brieven over Duitsche litteratuur — Richard Dehmel

Georg Hermann 1


[...]
Achter den imperator kwamen de narren, die hun zotte sprongen maakten. En zoo wil ik aan de brieven van Dehmel een Karl May-Jahrbuch 1923 koppelen, dat in Radebeul in het Karl-May-Verlag is verschenen. Ik verklaar mij ten opzichte van Karl May incompetent, maar geloof aan zijn ongewoon vermogen om te fabuleeren, te boeien en mee te slepen. Ook houd ik Karl May niet voor een smakeloozen volksbederver en een stilistische onmogelijkheid à Ia Courths- Mahler. Wel houd ik hem voor zeer onserieus. Maar niettegenstaande dit, kan men hem der jeugd rustig overlaten, die zich met hem vermaken zal en... hem zal overwinnen, wanneer zij ouder is geworden. Maar God moge Karl May en ons voor zijn vrienden bewaren, die ons in lange artikelen, met plaatjes versierd, de geweren van Karl May voorleggen, om ons te bewijzen, dat de berendooder en zilverbuks met hun nooit falende zekerheid bestaan hebben.
Maar humor is schaarsch in de wereld en zoo wil ik ook voor dit boek dankbaar zijn. Vóór alles, omdat het een voortreffelijk artikel van den „Wirklichen Rat” Otto Hartmann inhoudt: lm Banne Karl May’s:

„Bei der Unterredung fielen viele Humorstrahlen (sic!) aber auch van des Lebens Leiden und Freuden wusste Karl Mag drollig zu berichten; auch von mancherlei Irrfahrten war die Rede. Und wer macht solche nicht in seinem Leben, und noch dazu, wenn er viel reiste wie Karl May, der schon in frühester Jugend seinem Schicksal überlassen wurde. Auch den l i e b e n  E i n l a u f in den sicheren „Hafen einer glücklichen Häuslichkeit schildert" er im Beisein seiner Gattin köstlich.”
„Und sowas gibts, Kinder!... Sowas gibts wirklich!", zou Alfred Kerr zeggen.


[1]In: Algemeen Handelsblad, 23/07/1923.



Terug naar de Nederlandstalige bibliografie.

Terug naar de startpagina.